2.2.1.5.2.1.2 Depressiemodel

Het depressiemodel van Beck (Beck, 1976; Beck 1991; Beck Rush, Shaw & Emery, 1979) wordt hier aangehaald omdat het een cognitieve theorie over depressie is. Beck gaat ervan uit dat cognities bij het ontstaan van depressies belangrijk zijn, dus bijvoorbeeld de dingen die mensen over zichzelf denken, de opvattingen die mensen over zichzelf hebben. Als iemand bijvoorbeeld al zijn hele leven te horen krijgt dat hij een waardeloze figuur is die nergens voor deugt, kan hij dit langzamerhand ook over zichzelf gaan denken. Als je door deze bril gaat kijken zul je alles wat je doet heel negatief zien. Het kan immers toch niet veel voorstellen wat je presteert, je bent immers een waardeloze figuur. Dit cognitieve schema verklaart de depressiviteit bij een persoon. De oorzaak van de depressie is niet hoe de persoon is of wat die persoon overkomt, maar hoe die persoon tegen zichzelf en wat hij meemaakt aankijkt. Dit kan er zelfs toe leiden dat nieuwe gebeurtenissen systematisch fout waargenomen en verwerkt worden, waardoor de depressie in stand gehouden wordt. Vijf voorbeelden van dergelijke systematische fouten in de waarneming en verwerking van informatie zijn: 
  1. Overgeneralisatie; Het trekken van een algemene conclusie op basis van één gebeurtenis. Bijvoorbeeld op basis van één onvoldoende tentamenresultaat de conclusie trekken dat je absoluut te stom bent om deze opleiding te volgen.
  2. Selectieve abstracties; Zich helemaal richten op een onbelangrijk (negatief) detail in de situatie waarbij de belangrijke (positieve) informatie wordt genegeerd. Bijvoorbeeld van een functioneringsgesprek, waarin de leidinggevende over het geheel genomen zeer lovend was over je functioneren, alleen een opmerking over een klein schoonheidsfoutje onthouden.
  3. Uitvergroting en verkleining; Kleine (negatieve) dingen worden opgeblazen en grote (positieve) dingen worden geminimaliseerd. Je rijdt bijvoorbeeld een heel klein deukje in de bumper van je auto en maakt hiervan een enorm drama ("Zie je wel, ik kan niet autorijden.") terwijl het feit dat je die dag een uitstekende lezing gegeven hebt helemaal geen bijdrage levert aan je gevoel van zelfwaardering.
  4. Personalisatie; Het ten onrechte de verantwoordelijkheid op zich nemen voor de nare dingen die in de wereld gebeuren. Je geeft bijvoorbeeld een tuinfeestje en er valt een regenbuitje. Je geeft dan jezelf als gastvrouw de schuld van het feit dat het is gaan regenen.
  5. Dubieuze conclusies trekken; Het trekken van een conclusie, terwijl er nog maar heel weinig reden is om dit te doen. Bijvoorbeeld: omdat zijn vrouw droevig kijkt trekt haar man de conclusie dat zij teleurgesteld is in hem. In werkelijkheid kijkt zij treurig omdat haar vriendin ernstig ziek is.