2.2.1.5.2.1.1 Computermetafoor

Binnen de cognitieve psychologie heeft de beschouwing over hoe de mens denkt een enorme stimulans gekregen door de uitvinding van de computer. Om een computer te programmeren moet je heel precies nadenken over de stappen die de computer moet doen om een bepaalde taak uit te voeren, welke informatie hij daarvoor nodig heeft, hoe hij deze informatie kan terugvinden in de enorme hoeveelheid gegevens die hij tot zijn beschikking heeft staan, enzovoort. Dit leverde heel veel ideeën op over de manier waarop dit soort zaken binnen het menselijk denkvermogen geregeld zouden kunnen zijn. Het denken in computermodellen heeft dus zeker geholpen bij het proberen te doorgronden hoe de menselijke geest werkt. Toch moeten we ook vandaag de dag nog concluderen dat het menselijk denkvermogen oneindig veel ingewikkelder in elkaar zit dan een computer. Het is ook nog nooit gelukt om een computer zodanig te programmeren dat dit dezelfde denkprocessen als bij een mens oplevert. Het grote verschil tussen een computer en een mens is dat een computer niet echt zelf nieuwe dingen kan bedenken. Alles wat uit een computer komt is er op een of andere manier door een mens ingestopt. De computer kan veel sneller dan een mens allerlei bewerkingen op gegevens uitvoeren, bijvoorbeeld eerst alle ingevoerde getallen kwadrateren en vervolgens bij elkaar optellen, maar hij heeft dit niet zelf bedacht. Een mens heeft hem via een computerprogramma verteld dat hij dit moet doen. Een mens kan wel `nieuwe' dingen bedenken. Zo kunnen de beste schakers van de wereld het nog steeds opnemen tegen de beste schaakcomputers. De schaakcomputer kan razendsnel alle mogelijke schaakzetten nagaan en concluderen (op grond van de informatie die in de computer ingevoerd is) wat op een bepaald moment de beste zet is. De allerbeste schakers kunnen echter tijdens een partij ineens een geniale inval krijgen, die nog niet in de computerprogrammatuur is opgenomen, waardoor zij de computer toch vaak de baas blijven.