2.4.2.2 Kernbegrippen

We volgen hierin Waldorp en van de Wiel (in voorbereiding): 

Deze thesis heeft als doel een oplossing te bieden voor het verklaren en voorspellen van individuele verschillen in besluitvorming. Samenvattend kan worden gesteld dat de evolutie van de mens in de afgelopen 1,8 miljoen jaar een grote veranderingheeft laten zien in de ontwikkelingvan een aantal fysieke en vooral mentale veranderingen (eigenschappen? Zin klopt ook dan niet..).Het brein, de basis voor individuele verschillen in besluitvorming, heeft een opmerkelijke groei in omvang en complexiteit doorgemaakt. Daardoor is de mens beland in wat de cognitive nichewordt genoemd.  Op basis van deze veranderingen heeft evolutiepsychologie (EP) een soort-specifiek model ontwikkeld van menselijk eigenschappen aan de hand van wat door EP adaptaties wordt genoemd: functionele, betrouwbare en efficiënte voorgeprogrammeerde modules. Modules zijn ‘gestandaardiseerde’ oplossingen in de vorm van neurologische ‘communities of practice’voor de oplossing van problemen waarmee onze voorouders in de afgelopen 1,8 miljoen jaren regelmatig werden geconfronteerd.

De adaptaties die het onderwerp van deze thesis zijn, behoren tot de meest fundamentele adaptaties voor iedere soort. De adaptaties hebben een directe impact op het fitness succes van het individu voor het doorgeven van zijn genen aan volgende generaties. Deze thesis hypothetiseert dat het brein van het individu binnen 36-48 maanden na conceptie een keuze maakt uit één van de drie mogelijke fundamentele adaptaties. Deze geprioriteerde adaptatie is de basis voor het motivatiesprofiel en daarmee voor de consistentie in het besluitvormingsproces van het individu. Dit motivatieprofiel betekent dat het individu als subject een specifieke sociale strategie volgt om anderen als object te beïnvloeden in relatie tot zijn fitness. 

Tot slot geeft dit hoofdstuk een overzicht van de evolutionaire uitgangspunten die worden gehanteerd om te verklaren hoe individuele verschillen in besluitvormingsprocessen vanuit een evolutionair perspectief tot stand komen.

1.    Hoofdstuk 1: De evolutie van de mens en zijn brein

Dit hoofdstuk is onderverdeeld in een aantal paragrafen die de relevante aspecten van het ‘waarom en hoe’ belichten van de evolutie van de mens als soort en de ontwikkeling van zijn brein in relatie tot zijn individuele gedrag. Voorafgaand aan deze paragrafen besteedt dit hoofdstuk aandacht aan de hypotheses die het fundament vormen van deze thesis.

 

 

1.1.Hypotheses

1.2.Evolutiepsychologie als fundament van de hypothese

1.3.Evolutie van de mens 

1.4.De ontwikkeling van het brein van de geëvolueerde mens 

1.5.De functionaliteit van het brein en de mind

1.6.Adaptaties 

1.7.Fundamentele adaptaties

1.8.Fundamentele motivaties

 

 

1.1.Hypotheses

Deze thesis beoogt op basis van evolutiepsychologie (EP) een verklaring te geven voor individuele verschillen die bepalend zijn voor de consistentie in besluitvorming inzake sociaal gedrag. 

Evolutiepsychologie (EP) heeft een metatheoretisch kader ontwikkeld van de universele, soort-specifieke psychologische eigenschappen van de mens. Daardoor leent het zich bij uitstek voor de onderbouwing van de hypothesen van deze thesis. EP is gebaseerd op de theorie van natuurlijke en seksuele selectie zoals bijna 150 jaar geleden werd ontwikkeld door Charles Darwin (1859, 1871). EP bestudeert de complexe, geëvolueerde psychologische mechanismen van de mens die vooral sociaal gedrag en daarmee ook cultuur genereren (Cosmides, Tooby & Barkow, 1992). Het brein, in het Engels gebruikt men doorgaan de termen ‘brain’ en ‘mind’[1], fungeert daarbij als belangrijkste orgaan, respectievelijk ‘functionaliteit’.

Het doel van EP is om vanuit een evolutionair perspectief de psychologische mechanismen van het brein te begrijpen en te verklaren (Buss, 2004). Om misverstanden te voorkomen: EP focust niet op (sociaal) gedrag als uitkomst, maar op de mechanismen van het brein, zoals cognitie, emotie en motivatie, die dat uitkomstgedrag aansturen in het kader van afstemming tussen de mens en zijn omgeving.  Over de afstemming tussen de mens en zijn omgeving bestaan nogal wat misvattingen, zodat hier een indeling wordt getoond die de (wat is intrinsieke causaliteit?)  causaliteit vanuit de persoon zelf en onderlinge causaliteit van de ontwikkeling laat zien.

 

 

·      De eerste hypotheseluidt dat deze individuele verschillen verklaarbaar zijn op basis van drie adaptaties die de basis vormen van fundamentele, gespecialiseerde motivaties voor  inclusieve fitness:

a) met succes een relevante (dominante) positie binnen de groep verwerven of volgen,

b) succesvol kunnen samenwerken in ten minste één niet-verwant individu en vriendschap sluiten,

c) met succes vinden van een partneren onderhouden van een partnerrelatie.

De drie fundamentele motivaties komen voort uit drie fundamentele, evolutionaire adaptaties, een soort voorgeprogrammeerde probleemoplossende mechanismen die de mens als soort in de loop van de tijd heeft verworven onder invloed van natuurlijke en seksuele selectie.Leidraad daarbij is het streven naar inclusive fitness, het bijdragen aan de reproductie van de genen van het individu en/of zijn familieleden. Deze drie motivaties komen bij iedereen voor, zij het in meerdere of mindere mate. Op individueel niveau hebben de drie genoemde fundamentele motivaties, die samen het fundamentele motivatieprofiel vormen, een dusdanig dwingend karakter dat ze leiden tot consistentie in besluitvorming, vooral inzake sociaal gedrag en functioneren als schuiven op een mengpaneel (zie Fig. 3). 

·      De tweede hypotheseis dat, op basis van dit fundamentele motivatieprofiel, individuele besluitvorming inzake sociaal gedrag niet alleen inzichtelijk, maar ook tot op zekere hoogte voorspelbaar is. Er is aldus sprake van een vrij dwingend patroon dat leidt tot een, voor het individu, karakteristieke of kenmerkende sociale strategie. Een kind ontwikkelt een eigen gedragspatroon dat wordt gestuurd door een stabiel motivatieprofiel en een, gedeeltelijk zelf bedachte, identiteit.

 

·      De derde hypotheseis dat de ontwikkeling van het fundamentele motivatieprofiel, en de daaruit voortkomende sociale strategie, in de (vroege) jeugd plaatsvindt onder invloed van  de interactie van zijn genen met zijn omgevingsfactoren. Tijdens de eerste 24-36 maanden na de geboorte prioriteert (het brein van) het individu onbewust één van de drie fundamentele motivaties. Door deze onbewuste prioritering ontstaat een kenmerkende sociale strategie. Er is sprake van consistente gedrag van het individu binnen een sociale context. 

 

·      De vierde hypothesebeoogt te komen tot een taxonomische indeling van de drie fundamentele motivaties, en de daaruit voortkomende sociale strategieën (zie Fig. 3). Deze taxonomie kan als basis dienen voor meer praktijk georiënteerde vormen van wetenschap, zoals bijvoorbeeld privé en zakelijke relatievorming en marketing research.

 

MOOI, ook klaar, met slechts 1 puntje van aandacht: 

* wat is het exacte verschil tussenmotivatieprofiel, sociale strategie en identiteit?  

Ter verduidelijking van het voorgaande, worden in het kort het motivatieprofiel, de sociale strategie en identiteit toegelicht:

·      Het brein van het individu prioriteert één van drie fundamentele adaptaties. De geprioriteerde adaptatie vormt de basis voor het motivatiesprofiel. Dit motivatieprofiel bepaalt het consistente en coherente besluitvormingsproces van het individu. 

·      Aan de hand van zijn motivatieprofiel volgt het individu als subject een specifieke sociale strategie. Deze strategie is erop gericht om anderen als object in relatie tot zijn fitness te beïnvloeden. 

·      ‘Identiteit’, wordt hier gedefinieerd als “Het cognitieve zelfbeeld van het individu, de mate van vertrouwen in zijn ‘zelfbeeld’ en de daarbij behorende, specifieke karaktereigenschappen”  



[1]Brein en mind. Het gebruik van beide begrippen vervangt de traditionele begrippen van onderbewustzijn, respectievelijk bewustzijn. Hierbij is geen sprake van een dichotomie, maar voert het brein berekeningen uit op basis van inkomende informatie waarvan een functioneel deel als representaties (vluchtige, 2D beelden) zichtbaar is in de mind. Behalve mental time travel(Suddendorf & Corballis, 1997) voor het fantaseren over toekomstscenario’s, functioneert de mind bij redeneren, ruimtelijk inzicht, leerprocessen, categorisatie, leren en motivatie. Zoals Pinker stelt “The mind is what de brain does” (1997).