2.2.1.2.2.1 Uitgangspunten

De leertheorie hanteert de volgende uitgangspunten: 
 
  1. U gaat er van uit dat het onderzoeksdomein van de psychologie het gedrag is van mensen en dieren. Niet alleen uiterlijk gedrag, maar ook innerlijke gebeurtenissen (gedachten, gevoelens) kunnen benaderd worden als gedrag. Het onderzoekssubject is het organisme in zijn omgeving
  2. U ziet als onderzoeksmethode van de psychologie de natuurwetenschappelijke methode: experimenteel en ander empirisch wetenschappelijk onderzoek
  3. U gaat hierbij op zoek naar functionele verbanden tussen gedrag en omgeving, niet naar structuren en andere mentalistische zaken. Daarbij wordt gezocht naar hoe gedrag en gewoonten tot stand komen, geleerd worden
  4. U hanteert als doelen van de psychologie: voorspellen en controleren (of beïnvloeden) van gedrag.
 
  1. Men dient zich bezighouden met het bestuderen van waarneembaar gedrag. Door waarneembaar gedrag te bestuderen is het mogelijk om in de psychologie objectief te werk te gaan. Je gaat namelijk alleen af op wat je `aan de buitenkant' kunt observeren. Je laat je niet leiden door wat zich van binnen in mensen afspeelt, zoals hun gevoelens en gedachten, die veel subjectiever (meer aan de persoon gebonden) zijn. Je moet je hierbij het volgende voorstellen: je dient een mens of een dier een prikkel toe, bijvoorbeeld een stroomstootje, of je geeft hem iets lekkers (de stimulus) en je kijkt hoe hij hierop reageert (de respons). Wat zich daartussenin in het dier of de mens afspeelt (schrik, pijn, blijdschap, denken, verbanden leggen met informatie uit het geheugen) is volgens de behavioristen niet objectief te bestuderen en wordt door hen dus buiten beschouwing gelaten. Dit wordt wel het `black box' denken genoemd; wat zich intern in het onderzochte dier of de onderzochte mens afspeelt zit als het ware in een zwarte doos die door de behavioristen heel bewust wordt dichtgelaten.
  2. Wij leren al ons gedrag in de loop van ons leven. Dit leren gebeurt via klassieke conditionering of operante conditionering. Wij zullen deze begrippen nog nader uitwerken.
  3. Ingewikkeld gedrag is opgebouwd uit kleine stukjes simpel gedrag. Om ingewikkeld, complex gedrag te bestuderen kunnen we dus simpele deelstukjes van dat gedrag bestuderen. Dit verklaart ook waarom binnen het behaviorisme veel gedragsexperimenten met dieren zijn gedaan. Bij deze dieren bestudeert men dan simpele gedragingen, die vervolgens als puzzelstukjes te gebruiken zijn om ook complexer, menselijk gedrag in kaart te brengen.
  4. Ervaringsleren; alles wat een mens leert, leert hij door ervaring. Hoe een mens wordt, is duidelijk omgevingsgestuurd. Watson heeft hierover de volgende uitspraak gedaan: "Geef mij een dozijn kinderen en een wereld waarin ik hen kan opvoeden. Ik garandeer dat ik elk kind maak tot wat ik wil: arts, advocaat, kunstenaar, ondernemer of ook bedelaar en dief." (Watson, 1925). Maar ook of een mens zich bijvoorbeeld wel of niet agressief gedraagt, hangt volgens de leertheorie af van wat hij met betrekking tot agressie geleerd heeft in zijn leven. Met `geleerd' wordt hier bedoeld: geleerd door ervaring, via de principes van de klassieke en operante conditionering.
  5. De mens is een ingewikkeld dier; het gedrag van mensen volgt dezelfde leertheoretische wetten als het gedrag van dieren. Dus voor de studies van het gedrag vanuit het behaviorisme is de mens gewoon een wat ingewikkeld dier. Datgene wat een mens onderscheidt van een dier zit in de `black box' en wordt door de behaviorist juist niet bestudeerd.
  6.