2.4.5.1 Voorbeelden

Een verpleegkundige solliciteert als hoofd verplegingsdienst bij een middelgroot ziekenhuis. In de personeelsadvertentie staat vermeld: een psychologisch onderzoek kan deel uitmaken van de sollicitatieprocedure. Als deze verpleegkundige met nog één andere gegadigde overgebleven is om in aanmerking te komen voor de functie van hoofd verplegingsdienst wordt zij inderdaad uitgenodigd voor een psychologisch onderzoek. Tijdens dit onderzoek wordt haar onder andere gevraagd een test in te vullen die de volgende onderdelen bevat:

 Op feestjes breng ik graag de stemming erin.

     _ juist _ ? _ onjuist

Ik vind dat veel mensen onverschillig zijn.

     _ juist _ ? _ onjuist

Ik vraag alleen dan iemand om hulp wanneer het niet anders kan.

     _ juist _ ? _ onjuist

Veranderingen in het weer hebben weinig invloed op mij.

     _ juist _ ? _ onjuist

Ik wil dat thuis alles op een vaste plaats ligt.

     _ juist _ ? _ onjuist

 

Verder wordt haar verteld dat ze het antwoord `juist' moet aankruisen als de betreffende zin meestal op haar van toepassing is, het antwoord `onjuist' als de zin meestal niet op haar van toepassing is. Het vraagteken kan aangekruisd worden als een zin beslist niet met `juist' of `onjuist' beantwoord kan worden. (De zinnen in dit voorbeeld komen uit de Nederlandse Persoonlijkheids-Vragenlijst, die in totaal uit 133 onderdelen bestaat.)

 

Een man wordt in een TBS-kliniek opgenomen nadat hij een aantal mensen vermoord heeft. Hij ging bij het vermoorden van zijn slachtoffers bijzonder wreed te werk. In plaats van hen in één keer te vermoorden hakte hij steeds kleine stukjes van hun lichamen af, net zolang tot de slachtoffers als gevolg hiervan overleden.

De psychiater die deze man onderzoekt komt tot de conclusie dat de moordenaar lijdt aan een `antisociale persoonlijkheidsstoornis'. De antisociale persoonlijkheid is koud en gevoelloos, schuldgevoelens over wat hij anderen aandoet heeft hij niet of nauwelijks. Dit brengt ook met zich mee dat hij geen of bijna geen berouw heeft over zijn misdaden.

In oudere diagnosesystemen worden mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis vaak `psychopaten' genoemd, een term die in het gewone taalgebruik nog steeds veel voorkomt.

 

Uit onderzoek is gebleken dat mensen met verschillende soorten persoonlijkheden verschillend reageren op het krijgen van een ernstige ziekte en dat hierdoor vervolgens de kans op genezing van die ziekte beïnvloed wordt.

Zo is een groep vrouwen onderzocht die in een vroeg stadium aan borstkanker geopereerd is. Van degenen die alle hoop opgegeven hadden of die hun ziekte zonder slag of stoot accepteerden bleek na vijf jaar nog 35 procent kankervrij en in leven te zijn. Van de groep vrouwen die veel vechtlust vertoonden of de neiging hadden de ziekte te ontkennen bleek na vijf jaar nog 75 procent kankervrij en in leven (Greer e.a., 1979).

 

Ook zijn er aanwijzingen dat bij het ontstaan van ziekten de persoonlijkheid een rol speelt. Zo zouden hart- en vaatziekten vooral voorkomen bij mensen met een wat agressieve persoonlijkheid die zich sterk gedreven voelen om hun doelen te bereiken en die hierbij competitief ingesteld zijn. Een ziekte als kanker zou zich eerder ontwikkelen bij mensen die de neiging hebben zich op te offeren voor anderen en die op die manier conflicten proberen te vermijden. Het is moeilijk om uit onderzoek op dit gebied harde conclusies te trekken omdat er bij wel of niet ziek worden altijd veel meer factoren meespelen dan alleen de invloed van de persoonlijkheid.

 

In een psychiatrisch ziekenhuis wordt een vrouw opgenomen die lijdt aan dwanghandelingen. De hele dag is zij bezig met het reinigen van haar lichaam en het schoonmaken van haar omgeving. Zij heeft door haar vele grondige wasbeurten al ernstige huidproblemen gekregen en verder kan zij door haar voortdurende schoonmaakactiviteiten absoluut geen normaal sociaal leven meer leiden, zij moet altijd poetsen. In een gesprek met deze vrouw blijkt dat zij zelf inziet dat haar extreme neiging tot reinigen niet zinvol is. Zij geeft ook aan zelf onder dit gedrag te lijden maar kan er desondanks niet mee stoppen.

 

Hoe komt het dat de ene verpleegkundige haar werk een carrière lang met plezier kan doen en dat een andere verpleegkundige na een aantal jaren het beroep totaal uitgeput en gedemotiveerd verlaat?