2.2.3.x Fouten

Ons gedrag wordt in veel grotere mate dan wij zelf denken beïnvloed door de situatie waarin we ons bevinden wanneer we dat gedrag vertonen. Dit wordt in de gedragsleer wel de fundamentele attributiefout genoemd. Mensen neigen er dus naar om de invloed van de omgeving te onderschatten wanneer we gedrag van mensen willen verklaren. Attributie wil zeggen `toeschrijven aan'. Wat we heel vaak doen is gedrag van mensen toeschrijven aan hoe die mensen nu eenmaal zijn (docenten beweren bijv. dat leerlingen slechte cijfers voor anatomie halen omdat ze niet voldoende capaciteiten hebben of er niet hard genoeg voor werken) in plaats van aan situationele factoren (een slechte docent anatomie of problemen thuis).
 
Het is trouwens een opvallend verschijnsel dat mensen bij de verklaring van hun eigen gedrag er dikwijls toe neigen om de oorzaken bij voorkeur in de situatie te zoeken. Zou je dus de leerling met de slechte anatomiecijfers vragen hoe dit komt dan zou zij waarschijnlijk wel factoren noemen als: `de docent is niet duidelijk', `de toets zat slecht in elkaar' of `problemen thuis'. Voor je het weet is de docent met de leerling in een soort gekissebis verzeild geraakt waarmee ze geen van tweeën iets opschieten. Kennis van dit soort fenomenen kan er hopelijk toe bijdragen dat jij met zorgvragers niet in een welles-nietes-spelletje verzeild raakt over hoe het komt dat bijvoorbeeld de revalidatie van de zorgvrager zo traag verloopt.
 
Het feit dat mensen gedrag bij anderen toeschrijven aan hoe ze zijn terwijl die persoon zelf zijn gedrag veel meer aan situationele factoren toeschrijft kan ook menig misverstand en menige ruzie tussen mensen verklaren. Kijk maar eens naar de volgende twee gespreksfragmenten (naar Forsyth, 1987):
 
Persoon 1 (die het gedrag van de ander waarneemt): "Waarom heb je me niet gebeld gisteravond?"
 
Persoon 2 (de handelende persoon): "Ik moest nog veel doen, want ik moest nog leren voor mijn tentamen."
 
Persoon 1: "Je houdt niet meer van me!"
 
 
 
Persoon 1 (die het gedrag van de ander waarneemt): "Heb je er wel aan gedacht de wasmachine aan te zetten?"
 
Persoon 2 (de handelende persoon): "Och, dat ben ik vergeten"
 
Persoon 1: "Je hebt ook geen greintje verantwoordelijkheidsgevoel!"
 
Persoon 2: "Ik heb gewoon teveel andere dingen aan mijn hoofd!"
 
 
 
In beide situaties schrijft persoon 1 het gedrag van de ander aan interne factoren toe, terwijl die persoon zelf een externe verklaring voor zijn gedrag geeft. Op deze manier kunnen attributieverschillen heel wat conflictstof opleveren.
 
 
 
Hoe valt nu te verklaren dat mensen gedrag van anderen veel meer aan de interne eigenschappen van die ander toeschrijven dan ze bij hun eigen gedrag geneigd zijn te doen? Hier bestaan in hoofdlijnen drie verklaringen voor (die elkaar aanvullen):
 
Ten eerste ken je jezelf natuurlijk veel beter dan dat je een ander kent. Je kent jezelf uit veel verschillende situaties en weet dat je niet in iedere situatie hetzelfde reageert. 'Vandaag doe ik wel erg chagrijnig maar ik ben ook heel vaak vriendelijk dus ik kan niet van mezelf zeggen dat ik een chagrijnig type ben'. Je eigen chagrijnigheid hangt dus duidelijk van de situatie op dit moment af. Als je een ander in een bepaalde situatie chagrijnig vond, ben je meer geneigd de conclusie te trekken dat dat een chagrijnig type is.
 
Ten tweede hebben we de neiging om de wereld om ons heen zo simpel en overzichtelijk mogelijk te houden. Dat lukt het beste als we anderen onveranderlijke, interne eigenschappen toeschrijven. Hierdoor wordt hun gedrag immers voorspelbaar. Dit komt sterk tot uitdrukking bij de eerste indruk die je van iemand opdoet; je slaat die eerste indruk op alsof iemand dus zo is. Misschien is iemand die eerste keer heel toevallig vrolijk terwijl hij dat bijna nooit is. Toch slaan we dan als beeld op 'een vrolijke persoonlijkheid'. Hiermee kun je dus de plank nogal eens mis slaan maar het houdt de wereld wel lekker overzichtelijk. Onszelf zien we trouwens wel als veranderlijk, flexibel en als iemand die zich goed aan kan passen aan de omstandigheden. Vandaar dat ook dit tweede punt mede verklaart waarom we voor anderen andere attributies gebruiken dan voor onszelf.
 
Ten derde is het zo dat het perspectief van waaruit we het gedrag van een ander en het gedrag van onszelf bekijken verschillend is. Bij het gedrag van een ander zie je de ander ook, bij gedrag van jezelf zie je vooral de omgeving. We neigen ernaar om datgene dat ook letterlijk onze 'focus of attention' is als verklaringsgrond te nemen voor het gedrag dat we zien.
 
 
 
Bij nadere bestudering blijken we trouwens niet bij al ons eigen gedrag de neiging te hebben dit aan situationele factoren toe te schrijven. De neiging om de situatie als verklaring aan te voeren hebben we vooral wanneer we niet tevreden zijn over ons gedrag. We geven dan de situatie de schuld van onze mislukkingen. Wanneer we een goede prestatie geleverd hebben schrijven we dit vaak wel toe aan onze eigen interne eigenschappen (dus aan hoe fantastisch we zijn). Dit wordt wel 'defensieve attributie' genoemd, we attribueren in ons voordeel. Het blijkt dus heel moeilijk te zijn om objectief naar ons eigen gedrag te kijken. Hiernaar is bijvoorbeeld onderzoek gedaan in de wereld van de sport: 80% van de opmerkingen van de winnaars blijken interne attributies te zijn, zoals "ons team speelde geweldig". De verliezers gaven maar 53% interne attributies en hadden de neiging om het verlies toe te schrijven aan situationele, externe factoren, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de opmerking: "we hadden wel erg veel pech vandaag" of "het veld was erg slecht".
 
 
 
Mensen verschillen trouwens nogal in de neiging om in hun voordeel te attribueren. Dit heeft te maken met hun optimistische of pessimistische levensinstelling. Wat dat betreft biedt de optimistische instelling de meeste voordelen. Vandaar in dit verband een advies voor wie lang en gezond wil leven:
 
schrijf alle dingen die goed lukken in je leven toe aan je eigen goede eigenschappen, dus maak ze tot een verdienste van jezelf. Als er eens wat mis gaat, verklaar je dit door een ongelukkige samenloop van externe omstandigheden. Als je wint met monopoly denk je: "Wat kan ik toch ontzettend goed monopoly spelen". Als je verliest denk je: "Wat had ik een pech met gooien vandaag zeg". Dit is de typisch optimistische levenshouding, waarbij dankbaar gebruik gemaakt wordt van defensieve attributies. 
 
De echte pessimist schrijft alles wat goed gaat toe aan het toeval en externe factoren. "Ik ben geslaagd voor mijn rijexamen, de examinator zal wel hebben zitten pitten anders had ik het vast nooit gehaald". Alles wat fout gaat is verschrikkelijk zijn eigen schuld: "Wat ontzettend stom van mij dat ik dat bord heb laten vallen, is ben wel vreselijk onhandig". 
 
Om hun kijk op het leven vol te kunnen houden moeten zowel de optimisten als de pessimisten de waarheid zeker af en toe geweld aandoen. Hierbij is de optimistische levensvisie het meest aan te bevelen: pessimisme leidt tot mindere prestaties in werk en studie en tot een slechtere gezondheid, vaker ziek zijn en een korter leven dan optimisme (Kampen e.a., 1987).