2.4.4.1 Voorbeelden

Uit HdV & HvdW:


Uit experimenten met jonge aapjes is gebleken dat deze aapjes meer nodig hebben dan eten en drinken om op te groeien tot gezonde volwassen apen die normaal sociaal gedrag vertonen (Harlow & Harlow, 1969). Aapjes die wel te eten en te drinken kregen maar zonder hun moeder of andere apen moesten opgroeien ontwikkelden zich moeizaam en bleken als volwassen aap niet normaal met andere apen te kunnen omgaan. Als een dergelijk aapje ondanks de moeizame relatie met soortgenoten zelf ook moeder werd bleek ze niet goed voor haar eigen kinderen te kunnen zorgen.
 
Sommige aapjes die zonder moeder opgroeiden kregen wel een soort kunstmoeder in hun kooi. Dit was een met een zacht vachtje bekleed frame. Dit bleek voor de aapjes erg belangrijk te zijn, ze brachten veel tijd door met het zich vastklampen aan deze kunstmoeder. Wanneer ze ergens van schrokken zochten ze onmiddellijk hun toevlucht tot deze `zachte' kunstmoeder. Opvallend was dat de aapjes zich veel meer vastklampten aan deze `zachte' kunstmoeder dan aan een ijzeren `kunstmoeder' waarbij ze hun melk konden drinken. De behoefte aan aanraking met de zachte kunstmoeder stond dus los van de behoefte aan voedsel. Voor de jonge aapjes is de behoefte aan aanraking dus een op zichzelf staande behoefte. Hoe belangrijk het is dat deze behoefte bevredigd wordt bleek uit het feit dat de aapjes zich zo'n vijftien uur per dag aan hun `zachte' kunstmoeder vastklampten, terwijl ze hun `harde' kunstmoeder alleen bezochten om melk te drinken.
 
Mensen zijn natuurlijk geen apen maar ze zijn er wel aan verwant en het is op zijn minst interessant om te bekijken welke gevolgen een gebrek aan aandacht en lichamelijk contact bij kleine kinderen heeft. Dit is bestudeerd door René Spitz bij kinderen in kindertehuizen en ziekenhuizen. Zo heeft hij bijvoorbeeld kinderen geobserveerd die hun eerste levensjaar in een tehuis doorbrachten. Zij kregen weinig aandacht van het verplegend personeel. De verpleegkundigen hadden eigenlijk alleen tijd om de kinderen te voeden en te verschonen. Niemand praatte dus met de kinderen, er was voor hen geen gelegenheid om te spelen en ze kregen geen liefde of aandacht. Als je deze kinderen vergelijkt met kinderen van dezelfde leeftijd die in een `normaal' gezin opgroeiden zijn er opvallende verschillen te zien. De kinderen uit het tehuis bleken zowel in hun psychische als lichamelijke ontwikkeling aanzienlijk achter te blijven bij hun leeftijdgenootjes. Ze waren veel passiever en toonden weinig belangstelling voor hun omgeving, die natuurlijk ook niet erg stimulerend was. Van de kinderen uit het tehuis stierf eenderde voordat ze de leeftijd van één jaar bereikt hadden, wat natuurlijk veel meer is dan je normaal gesproken onder een groep heel jonge kinderen ziet (Spitz, 1973).
 
Uit verder onderzoek is gebleken dat je het lot van dergelijke kinderen een stuk kunt verbeteren als je ervoor zorgt dat ze van de volwassenen die hen verzorgen persoonlijke aandacht krijgen. Dit betekent bijvoorbeeld dat er met de kinderen gespeeld wordt en dat er gereageerd wordt op hun behoeften, bijvoorbeeld op hun behoefte aan lichamelijk contact (Skeels, 1966; Hunt, 1982). Verpleegkundigen moeten dus ook knuffelen en stoeien met de kinderen die aan hun zorgen zijn toevertrouwd.
 
Binnen de Nederlandse situatie heeft deze kennis er inmiddels toe geleid dat er in tehuizen en ziekenhuizen voldoende oog is voor de behoefte aan persoonlijke aandacht van de daar opgenomen kinderen. Zo is er in ziekenhuizen steeds meer aandacht voor het contact tussen ouders en kinderen tijdens het verblijf van het kind in het ziekenhuis. Ouders worden betrokken bij de begeleiding van het kind rondom een opname en een eventuele operatie. Ook zijn er meer mogelijkheden voor de ouder(s) om bij het kind in het ziekenhuis te blijven, indien nodig dag en nacht. Ook verpleegkundigen krijgen steeds meer aandacht voor de sociaal-emotionele behoeften van het kind, wat natuurlijk des te belangrijker is als het kind tijdelijk of voor altijd de steun van de eigen ouders moet missen.