2.4.3.4.1.1 Interpreteren

Via onze zintuigen nemen wij kennis van de wereld om ons heen. Je zou ook kunnen zeggen dat we ons via onze zintuigen bewust worden van de werkelijkheid om ons heen. Hierbij gaan we er vanuit dat wij dé werkelijkheid ervaren. Wanneer we ons echter in een bepaalde ruimte bevinden samen met een muis, dan zal deze muis een heel andere werkelijkheid ervaren dan wij. Hij hoort, ruikt en ziet andere dingen dan wij. Wat is nu dé werkelijkheid: de werkelijkheid van de muis of de werkelijkheid van de mens? Maar ook al beperk je je tot de mens, dan nog zijn hierover vele interessante vragen te stellen. Ik beleef op dit moment de ruimte om mij heen op een bepaalde manier. Mijn ogen zijn gericht op een computerscherm en mijn handen voelen de toetsen van het toetsenbord. Ik zou op dit moment in deze zelfde ruimte ook een heel andere werkelijkheid kunnen beleven door me om te draaien en naar buiten te kijken, genietend van de prachtige natuur terwijl mijn handen de zachte gordijnen strelen. Wat is dé werkelijkheid?
 
Een man reed op zijn paard door een sneeuwstorm. Na uren bereikte hij eindelijk een herberg waar hij wat kon eten en kon overnachten. De herbergier vroeg hem uit welke richting hij was gekomen. De ruiter antwoordde dat hij uit het noorden was komen rijden. De herbergier was met stomheid geslagen, want dit betekende dat de man dwars over de Bodensee gereden was, over besneeuwd en flinterdun ijs. 'Het is een Godswonder dat u nog leeft' zei de herbergier. Toen de ruiter dit hoorde schrok hij zo dat hij een hartaanval kreeg en hieraan overleed. Wat is hier dé werkelijkheid? De fysische werkelijkheid van over het flinterdunne ijs rijden maar dit niet weten of de psychologische werkelijkheid van je realiseren dat je door het oog van de naald gekropen bent?
Functieleerpsychologen zijn het erover eens dat er bij waarneming geen sprake is van het objectief registreren van de werkelijkheid maar van het actief construeren van een beeld van de werkelijkheid. Hierbij is het onderscheid tussen een gewaarwording en een waarneming van belang. De gewaarwording is de informatie die op het zintuig geprojecteerd wordt, terwijl de waarneming het samenhangend geheel is dat op basis van informatie uit de zintuigen geconstrueerd wordt. De zintuigen (in dit geval de ogen) zien zes lijntjes in een bepaalde vorm, dit is de gewaarwording. De waarneming in de hersenen is dat het hier om een huisje gaat. De oren horen tonen van verschillende frequenties en luidheid, dit is de gewaarwording. De waarneming in de hersenen is dat het hier om het Wilhelmus gaat.
Eenzelfde gewaarwording kan bij verschillende mensen tot een verschillende waarneming leiden. Zo ziet meneer A in figuur 4.9 alleen witte en zwarte vlekken en ziet mevrouw B in dezelfde figuur een rijst-met-krenten hond (Dalmatier).
  
Tussen de gewaarwording en de waarneming vindt dus een proces plaats waarbij we onze werkelijkheid construeren. Hierbij worden we ook gestuurd en gekleurd door kennis van de wereld die we al hebben, dus door informatie uit ons geheugen. Dit wordt wel de top-down informatie genoemd. De informatie die ons vanuit de zintuigen bereikt is de bottom-up informatie. Wanneer je iets bekijkt dat je nooit eerder gezien hebt, bijvoorbeeld een abstract schilderij, dan moet je dit beeld in je hoofd stukje voor stukje opbouwen. In dit geval moet je het hebben van de bottum-up informatie, je geheugen kan je hierbij niet echt helpen. Wanneer je iets waarneemt dat je al heel vaak gezien hebt, bijvoorbeeld de voorkant van je huis, dan ga je echt niet iedere keer dit beeld stukje voor stukje opbouwen. Je wéét hoe je huis eruit ziet dus dat zie je ook in een keer. Eigenlijk is het beter om te zeggen dat je dit niet echt ziet maar meer dat je dit weet, je kijkt namelijk helemaal niet meer bewust naar hoe je huis eruit ziet. In dit geval overheerst de top-down informatie. Op grond van een heel klein beetje bottom-up informatie (o ja, daar staat m'n huis) wordt de overige informatie top-down razendsnel ingevuld. Bij het gebruiken van top-down informatie is de context heel belangrijk. Binnen een vertrouwde context is top-down informatie heel vaak toepasbaar. In een flits herken je je vriendin die iedere dag bij de bushalte op je wacht. Kom je haar onverwacht tijdens een vakantie in Spanje tegen duurt het misschien een tijdje voor je haar herkent, je verwacht haar niet te zien en moet haar beeld helemaal vanuit bottom-up informatie opbouwen. Uiteraard betekent dit gegeven ook dat onze waarnemingen soms onnauwkeurig kunnen zijn. Je ziet wat je verwacht te zien. Dit effect kan zo sterk zijn dat je een verandering in een vertrouwde omgeving niet opmerkt omdat je niet meer echt naar deze omgeving kijkt (bottom-up) maar er vanuit gaat dat deze omgeving er net zo uitziet als altijd (top-down). Pas als je wanhopige partner (die de hele middag met het herordenen van de boekenkast bezig is geweest) uitroept: 'Maar zie je dan niks!' ga je eens bewust om je heen kijken (bottom-up) en weet je hopelijk de juiste verandering te ontdekken. 
Een factor die ertoe bijdraagt dat onze waarneming een constructie is van de werkelijkheid is het gegeven dat onze waarneming selectief is. Je kunt onmogelijk voortdurend alle prikkels die op je afkomen (visueel, auditief, geurprikkels, smaakprikkels, interne en externe gevoelssensaties) bewust analyseren en waarnemen. Onze aandacht richt zich op een bepaald deel van deze prikkels. Welke prikkels dit zijn hangt af van welke prikkels het meest betekenisvol voor ons zijn. Zo zul je als verpleegkundige meer letten op de gezichtsuitdrukkingen van patiënten dan op de pantoffels die ze dragen. Op welke prikkels onze aandacht zich richt hangt ook af van onze behoeften op dat moment: als je een flinke trek hebt terwijl je door de stad loopt zullen je alle etensgeurtjes en restaurantjes en snackbars onderweg opvallen. Wanneer je door een onbekende buurt rijdt en je tank is bijna leeg dan zul je alleen maar letten op borden en reclames van tankstations. De restaurantjes kunnen je dan gestolen worden. We nemen dus eigenlijk altijd maar een stukje van de werkelijkheid waar. Zo kunnen twee personen een andere waarneming van dezelfde werkelijkheid hebben. Verpleegkundige Natalie vindt dat mevrouw ter Berg zichzelf goed verzorgt (haar haren en nagels zien er altijd netjes uit). Verpleegkundige Anuschka vindt dat mevrouw ter Berg geen verzorgde indruk maakt, haar gebit ziet er verwaarloosd uit en haar oren zijn ook niet bijster schoon. Anuschka let dan ook op een ander stukje werkelijkheid dan Natalie, ze maakt een andere selectie uit alle prikkels die op haar afkomen. 
Als laatste onderdeel van waarneming zullen we kijken naar de waarnemingsconstanties, die tevens als laatste illustratie dienen van het gegeven dat we onze werkelijkheid construeren in plaats van dat we dé werkelijkheid registreren.
De waarnemingsconstanties zijn niet aangeboren maar aangeleerd. De constanties houden in dat wij aan objecten bijvoorbeeld een constante grootte, vorm en kleur toekennen, al zou de gewaarwording (dus de informatie die de zintuigen krijgen) anders doen vermoeden. De grootteconstantie zorgt ervoor dat we een voorwerp of persoon even groot waarnemen ongeacht de afstand die we tot die persoon of dat voorwerp innemen. Als je puur kijkt naar de informatie die op het netvlies valt dan zou een boek dat je vlak voor je ogen houdt ontzettend groot zijn en een boek aan het andere eind van een ruime kamer maar heel klein zijn. Toch denken we niet de eerste keer 'Tjonge jonge wat een groot boek' en de tweede keer 'wat een miniboekje zeg'. Op grond van allerlei aanwijzingen uit de omgeving leren we waar te nemen wat dichter bij ons is en wat verder weg, en we passen op grond daarvan een automatische correctie op de grootte van de gewaarwording toe. 
De vormconstantie houdt in dat we een complete ruimtelijke vorm van een voorwerp construeren, die we feitelijk niet zien. Zo zie je soms alleen de achterkant van een stoel, maar in je waarneming vertaal je dit naar een complete stoel. Zo denk je bijvoorbeeld niet dat de stoel maar twee poten heeft toevallig omdat jij er maar twee ziet. Zo zie je in een deur ook altijd een deur, ongeacht of hij dicht halfopen of helemaal open is. Toch zijn de beelden die op je netvlies vallen in deze gevallen heel verschillend (zie fig. 4.10).
 
fig. 4.10 = deur in vier standen zie p. 175 Hilgard
 
Kleurconstantie houdt in dat we aan voorwerpen in onze omgeving dezelfde kleur blijven toekennen ook al verandert de gewaarwording van die kleur door een andere lichtinval. Als je in de zon de krant zit te lezen lijkt het krantenpapier vrij helder wit. Als er een wolk voor de zon komt is het papier objectief gezien ineens vrij grijs. Toch denk jij geen moment dat er een wonder gebeurd is en dat de krant ineens een andere kleur gekregen heeft. Zowel met als zonder zon is je waarneming van de kleur van het krantenpapier een grijswitte/vuilwitte kleur. Omdat je weet dat de krant in beide gevallen dezelfde kleur heeft (top-down informatie) zie je als het ware in beide gevallen ook dezelfde kleur.
 
Strikt genomen betekenen de waarnemingsconstanties een vertekening van de werkelijkheid. In alle gevallen is sprake van beïnvloeding van bottom-up informatie door top-down informatie. De waarnemingsconstanties zijn natuurlijk voor de mens heel functioneel. Dankzij de grootteconstantie neem je direct waar dat een klein stipje op je netvlies een op je afstormende auto is. Dankzij de vormconstantie herken je mensen en voorwerpen in je omgeving onmiddelijk zonder dat je iedere keer weer je zintuigelijke informatie van a tot z moet analyseren. Dankzij de kleurconstantie blijft onze omgeving herkenbaar voor ons, ongeacht de hoeveelheid licht die ons op verschillende momenten omringt.