2.2.3.6 Grondleggers

Een belangrijke vertegenwoordiger van de cognitieve stroming in de psychologie is de Zwitserse psycholoog Piaget (1896-1980). Hij bestudeerde vooral de cognitieve ontwikkeling van het kind. Een belangrijk uitgangspunt van Piaget hierbij is dat het kind een aantal stadia van cognitieve ontwikkeling doormaakt waarbij sprake is van een vast verloop, dus van een vaste volgorde en manier van ontwikkelen. Volgens Piaget speelt hierbij biologische rijping een grote rol. Het kind heeft dus in aanleg al bepaalde cognitieve vermogens die onder invloed van de ervaringen die het kind opdoet tot ontwikkeling komen. We zien hier dus een groot verschil met het behaviorisme dat er immers van uitgaat dat een kind als een onbeschreven blaadje ter wereld komt.
Op het gebied van de taalontwikkeling is het Chomsky (geboren in 1928) geweest die gesteld heeft dat kinderen een aangeboren mogelijkheid tot taalverwerving bezitten en dat kinderen wat dit betreft dus niet blanco ter wereld komen. Wil het kind ook inderdaad zijn taalvermogen ontwikkelen, dan is wel een voorwaarde dat het in een omgeving opgroeit waar het taal kan horen. Dit is een mooi voorbeeld van de wisselwerking tussen aanleg- en omgevingsfactoren. Chomsky kon dit hardmaken door te bewijzen dat de beweringen van de behavioristen over de manier waarop kinderen taal leren niet kunnen kloppen. Volgens behavioristen moet het kind taal leren door die te horen en vervolgens te imiteren. Vanuit zichzelf weet het kind immers nog niets van taal, want het is als een onbeschreven blad ter wereld gekomen. De taalontwikkeling gaat bij kinderen echter veel sneller dan we op grond van imitatieprocessen zouden kunnen verklaren. Bovendien blijken kinderen zinnen te produceren die zij nog nooit eerder gehoord hebben. Mensen kunnen taal dus creatief gebruiken. Chomsky schat dat de gemiddelde taalgebruiker 1020 zinnen kan verstaan. Deze hoeveelheid is te groot om zelfs in meer dan een mensenleven door middel van imitatie te leren. Imitatie kan dus de taalontwikkeling bij kinderen niet afdoende verklaren, en daarmee rekent de cognitieve psychologie dus af met de behavioristische opvatting op dit punt.