2.2.1.5.2.2 Cognitieve nis

Evolutie & Kennis; wat vormt wat?

Harry van de Wiel; versie dd.  15 juli 2010

1. Inleiding

Kennisleer of epistemologie omschrijft het ‘wat & hoe’ voor de wetenschap. Met behulp van kennisleer bepaalt de internationale gemeenschap niet alleen wat men tot het domein van wetenschap rekent, maar ook welke hiërarchie hierin bestaat. Bovenaan staan de natuurwetenschappen, wier uitspraken voor alles en iedereen altijd maatgevend zijn. Onderaan de toegepaste wetenschappen waarvan de resultaten en conclusies een sterk contextueel karakter hebben. En daar weer onder bungelen de kunsten, tegenwoordig in hun eigen aparte domein. Gemeenschappelijke factoren zijn het geven van inzicht en generalisatie. Waar kunst het individuele universeel inzichtelijk maakt, maakt wetenschap het universele individueel inzichtelijk. Gezien het verschil in positie is het generaliseren van particulier of individueel naar generiek (inductie) blijkbaar minder waardevol dan andersom (deductie). Wetenschap is pas echt wetenschap als het los staat van het subjectieve, het individuele, of zoals Claude Bernard het kernachtig formuleerde:  “Art is I, Science is We”. 

Kennisleer bepaalt niet alleen het karakter van het wetenschapsdomein, maar ook hoe men wetenschap dient te bedrijven; het levert de criteria en regels waaraan men als wetenschapper dient te voldoen. Zolang men binnen dit raamwerk blijft, kan men als wetenschapper voortvarend voortbouwen op bestaande fundamenten. Wie echter tot nog grotere hoogte wil stijgen dan de bestaande top, zal zo nu en dan ook de fundamenten moeten aanpassen. Een dergelijke paradigmashift (Kuhn, 1962) gaat niet zonder slag of stoot en dat is op zich maar goed ook. Iedere verandering in de fundamenten impliceert immers grote veranderingen in het bedrijf en de bedrijfsvoering.  Maar daarmee ontstaat tevens een paradox voor hen die wetenschap zien als ‘werken aan de grenzen van het weten’ (missie van de RUG).  Wie werkelijk grenzen wil verleggen, ontkomt er niet aan om nu en dan ook de fundamenten ter discussie te stellen en bij voorkeur ook te verleggen. 

Dit betoog wil daaraan bijdragen door het proces van kenniscreatie centraal te stellen vanuit het perspectief van ‘evolutionair denken’. Deze bijdrage begint met een korte historische schets van de (Westerse) kennisleer of epistemologie. Daarna staat de weg waarlangs fundamentele vindingen in de wetenschap tot stand komen centraal. In deze beschouwing van wetenschap in actie staan we uitgebreid stil bij het begrip menselijk kenapparaat en het nauw daaraan verwante fenomeeen cognitieve nis. Samen vormen deze begrippen namelijk het geheel van object en cognitieve vermogens waarmee we als mens de werkelijkheid, en dus ook onderdelen daarvan als kennisleer en evolutie begrijpen. Vervolgens staan we stil bij Darwin machines en memen als metaforen om wetenschappelijke vooruitgang te kunnen vergelijken met biologische verandering. Op basis van deze vergelijking worden tot slot enkele conclusies getrokken over de zin en onzin van wetenschapsbeleid. 

 

2. Historische schets van de (Westerse) epistemologie 

De ontwikkeling van de Westerse epistemologie wordt doorgaans als volgt geschetst:

Rationalisten als Plato gaan er van uit dat de mens aangeboren en/of zich ontwikkelende concepten heeft, waarmee hij (daarna) door middel van logisch redeneren de werkelijkheid kan begrijpen. Kennis bestaat in die zin a priori.

Empiristen als Aristoteles gaan er van uit dat de mens als het ware leeg wordt geboren en zich vervolgens vult met kennis op basis van (zintuiglijke) ervaringen. Kennis is hier een a posteriori fenomeen.

Idealisten als Kant verenigen beide standpunten door te veronderstellen dat de mens kennis ontleent aan het samenspel tussen zintuigen en verstand. Men kent de wereld in grote lijnen vooraf, maar de ervaring nuanceert en kleurt dit beeld in. De vraag hoe de wereld op zich is, als object zonder menselijke waarneming en redenering, kan hierdoor niet worden beantwoord. Pirsig (1974) illustreert dit beeldend met de vraag naar het geluid van een vallende boom voordat er mensen op aarde waren.

Logisch positivisten als Popper brengen de objectiviteit weer terug door te focussen op die zintuiglijke gewaarwordingen die voor iedereen overeenkomen, zogenaamde sense data. Uitspraken die niet tot dergelijke feiten herleid kunnen worden, zijn in wetenschappelijk opzicht zinloos. Hiermee brengt Popper ook een onderscheid aan tussen zijn inziens ‘echte’ wetenschap en andere vormen van omgaan met kennis. Het nadeel van Poppers visie is dat, indien strikt toegepast, vrijwel alles buiten de wetenschap valt. Dit heeft vooral een sterk remmende invloed op fundamentele ontdekkingen of vernieuwende gedachten; deze zijn vaak per definitie nog niet te toetsen en zouden dus niet wetenschappelijk kunnen zijn.  Pas na toepassing van het von Münchhausen-principe, men trekt zich aan de eigen haren uit het moeras, kan iets het domein van de wetenschap betreden. Bovendien is het onmogelijk om geheel objectief waar te nemen, te interpreteren en te rapporteren; er is altijd sprake van interpretatie vanuit een conceptueel kader, al was het maar in de vorm van de taal waarin men zich uitdrukt. Recent taalonderzoek laat zien dat zelfs natuurwetenschappelijke geschriften bol staan van aan religie ontleende termen en begrippen (UvA, oratie).  

 

3. Wetenschap in actie

Hoewel Poppers visie op dit moment nog steeds dominant is, althans zeker in de toegepaste en gamma wetenschappen, is de ontwikkeling van de epistemologie niet gestopt bij het logisch positivisme. Vooral Quine, en in zijn kielzog mensen als Dewey en Mead,  hebben vanuit een naturalistische invalshoek een interessant pleidooi gehouden om in diverse opzichten een meer ‘pragmatische tussenpositie’ in te nemen. De eerste tussenpositie is om absolute zekerheid als (onbereikbaar) ideaal te hanteren in plaats van dit als vertrekpunt voor wetenschap te beschouwen. De tweede tussenpositie is dat wetenschap zich niet wezenlijk onderscheidt van andere vormen van ‘omgaan met kennis’. De derde tussenpositie is hier het meest relevant en houdt in dat kennisleer niet zozeer het uitgangspunt is van wetenschap, maar er een ‘gewoon onderdeel’ van is. 

In Quine’s visie is de fundamentele epistemologische vraag dan ook niet: ‘Wat is waarheid?’, maar: ‘Hoe komt waarheid tot stand?’ Met deze verschuiving in kennistheoretische vraagstelling is, min of meer vanzelfsprekend, het begrip evolutie in de epistemologie geïntroduceerd. Latour combineerde als een van de eersten deze domeinen door zich te richten op het werk van Watson & Crick vanuit historisch oogpunt de vraag te stellen hoe de ontdekking van het menselijk DNA tot stand is gekomen (Science in action, 1988). Een andere invalshoek is die van het onderzoek naar de ontwikkeling van wat wel het ‘menselijk kenapparaat’ wordt genoemd. Hieronder verstaat men het geheel van (cognitieve) vermogens, zoals waarneming, informatieverwerking en vooral leervermogen, waarmee de mens de wereld en dus ook concepten als kennis en evolutie begrijpt. Deze invalshoek vervolgen we hier. 

 

4. Het kenapparaat van de mens

Een van de eersten die, overigens op klassiek-methodologische wijze, onderzoek deed naar de ontwikkeling van het kenapparaat was Lorentz. Hij toonde aan dat het kenapparaat van de mens een tweeledige ontwikkeling kent. In aanleg is (a priori rudimentaire) kennis aanwezig, maar er is vooral sprake van meegegeven vermogens, die zich pas later (a posteriori) ontplooien. Lorentz ging er van uit dat vitale a priori (ontogenetisch) kennis en vermogens gecodeerd liggen opgeslagen in het erfelijk materiaal. Vanuit evolutieperspectief beschikt het individu daarmee over geaccumuleerde ervaringskennis van de soort. Het ontogenetisch a priori is echter een fylogenetisch a posteriori. Ideeën en concepten moeten worden geleerd, maar het vermogen om te leren is letterlijk een ‘gegeven’ van onze voorouders. In dit kader is het van belang op te merken dat het menselijk vermogen om in wisselwerking tussen organisme en leefwereld kennis te verwerven, zichzelf ook ontwikkelt in wisselwerking tussen organisme en leefwereld. Er is in die zin sprake van een dubbelpositie, net zoals dat voor taal en cultuur geldt. Het kenapparaat ontwikkelt zich op geleide van evolutionaire mechanismen d.w.z. volgt Darwin’s algoritme van variatie, selectie, emergentie* en replicatie, en past dit zelf vervolgens ook toe op datgene dat het verwerft. 

*nog toelichten want is niet door Darwin zelf zo benoemd)

Dit impliceert volgens Lorenz dat ons kenapparaat in principe primair wordt bepaald door de objectieve wereld, althans door dat gedeelte daarvan dat voor ons als organisme van levensbelang is.  De wereld is immers ouder, vaster en dominanter dan de mens en daarom heeft het menselijk kenapparaat zich niet alleen aangepast aan de wereld, maar ’weerspiegelt’ het kenapparaat zelf ook dat gedeelte van de werkelijkheid dat voor ons van belang is, de zogenaamde cognitieve nis. 

 

5. De cognitieve nis 

Volgens Lorentz is het feit dat wij begrippen als tijd, ruimte, causaliteit etc. hanteren om de wereld te begrijpen, een teken dat deze begrippen ook daadwerkelijk bestaan. Ze zijn echter alleen relevant voor dat deel van de werkelijkheid dat voor ons als conceptuele eenheid kenner-gekende relevant is. Voor een vleermuis zijn weer andere begrippen relevant want die heeft, en niet voor niets, een ander kenapparaat dan de mens (zie:  Thomas Nagel (1974): ‘How it is like to be a bat?’). En vandaar ook onze worsteling om kwantummechanica te begrijpen; we missen het instrumentarium daarvoor omdat dit aspect van de werkelijkheid buiten onze cognitieve nis valt. De mensheid kan dus ook van het ene op het andere moment ophouden te bestaan als we getroffen worden door iets dat we totaal niet hebben zien aankomen. Voor de mens zijn zaken als tijd en ruimte handig omdat ze een ‘afspiegeling’ van de voor ons relevante fysische realiteit vormen. Idem vormt cultuur een oudere, dominantere, vastere sociale wereld waarin wij ons zowel leren bewegen (m.b.v. communicatie)  als die dat leren bepaalt. Ons kenapparaat vormt dus niet alleen de brug tussen het gekende en de kenner, maar geeft zelf ook inzicht in de relatie tussen die twee. De verklaring hiervoor is gelegen in het fenomeen adaptatie dat wil zeggen het idee dat iedere biologische eigenschap met een bepaalde functie het resultaat is van natuurlijke selectie. Kennis is daarmee zelf het resultaat van een selectieproces , waarbij vitale informatie over de wereld geleidelijk accumuleert en wordt doorgegeven aan het individu zelf, maar ook aan toekomstige generaties. Begrippen als waarheid, taal, concepten en andere vormen van talige correspondentie spelen hierbij zelf geen rol. Er hoeft alleen sprake te zijn van een ecologische relatie tussen organisme en omgeving, waarbij adaptatie wordt gemodelleerd door de omgeving. Maar kennis veronderstelt een kenner, een kennend subject, want dingen hebben geen kennis. De vraag die dan rijst, is wat ten grondslag ligt aan de conceptuele eenheid ‘kenner-gekende’? Ook dit vraagstuk plaatste Lorentz in een evolutionair kader door er een ontwikkelingsvraagstuk van te maken. Als ons kenapppparaat is ontstaan door natuurlijke selectie en kennisleer maakt deel uit van ons kenapparaat, dan moet kennisleer ook onderhevig zijn aan Darwin’s algoritme. Immers, als een kenmerk een functie heeft, moet het door natuurlijke selectie tot stand zijn gebracht. Hoewel dat beperkt is, kan de mens zijn eigen kenapparaat overstijgen, als het ware buiten zijn eigen cognitieve nis kijken, en wel met behulp van zijn voorstellingsvermogen en fantasie. Vandaar Einstein’s opmerking:  ‘Logic brings us far; fantasy brings us everywhere’.  Hoe verder die nis afstaat van het alledaagse, des te meer boet men uiteraard aan zekerheid in. Iets dergelijks geldt voor de differentiatie die bij de mens optreedt in termen van evolutie en met name in het tempo waarin dit proces zich voltrekt. 

 

6. Darwin machines

Als kennisleer, net als ons kenapparaat,  tot stand is gekomen door hetzelfde principe van natuurlijke selectie, dan zou dit een nogal tijdrovend proces moeten beslaan. Dat is niet het geval en daarom moet er sprake zijn van een differentiatie tussen (de snelheid van) het proces van uitgeselecteerd worden en zelf selecteren door ons kenapparaat. Hoewel ons brein zelf het resultaat is van miljoenen jaren evolutie, is het in staat om binnen de tijdspanne van een mensenleven kennis te verwerven volgens het principe van natuurlijke selectie. Dergelijke fenomenen als ons brein, maar bijvoorbeeld ook ons immuunsysteem, worden Darwin machines genoemd. Het voordeel van deze snelle adaptaties is dat ze ons in staat stellen snelle veranderingen in onze leefwereld het hoofd te bieden zoals in de (wapen)wedloop met snel muterende virussen. Het nadeel is dat iedere generatie weer opnieuw het wiel moet uitvinden. Ons individuele geheugen gaat voor de soort verloren als we overlijden. (opzoeken: recent onderzoek laat zien dat traumatisch ervaringen in de jeugd genetisch materiaal neg.beinvloeden!)

Dit mechanisme veronderstelt een beperkte mate van plasticiteit van ons kenapparaat waar het de eigen aanleg betreft, maar een hoge mate van plasticiteit waar het de uitvoerende functies betreft. De uiteindelijke werkstructuur wordt adaptief verworven m.b.v./in de vorm van een enorme variëteit van neurale en synaptische verbindingen. Vooral in de eerste levensjaren wordt de organisatie van het brein gevormd, die vervolgens weer als vormgever optreedt ten aanzien van nieuwe kennis. Functionele afstemming, adaptatie, komt niet zozeer tot stand door toevoeging van nieuwe neuronen en verbindingen, maar door overproductie in tijden van functionaliteit en van eliminatie van alles dat daarna niet meer wordt gebruikt: synaptic pruning (Talamini, 2009). Kortom, Darwin machines als ons kenapparaat, zijn geassembleerd door trage cumulatie van genetische eigenschappen, maar hebben zelf snelle, zij het niet permanente algoritmen om kennis mee te verwerven. De fylogenetische selectie van genen is op dit niveau vervangen door ontogenetische selectie van synapsen, waardoor vooral het leven in complexe en dynamische sociale verbanden mogelijk is. In metaforische zin, wat op integratieniveau A geldt hoeft immers niet op niveau A+1 of hoger te gelden, kan men stellen dat de eenheden van evolutie in dit domein geen genen zijn maar memen.

 

7. Memen

Hoewel culturele evolutie geen verlengstuk is van biologische evolutie, het maakt gebruik van andere elementen, verloopt het wel volgens Darwin’s algoritme van variatie, selectie, replicatie en emergentie. Biologie en wetenschap hebben daarmee vergelijkbare genealogische principes en men kan cultuur en wetenschap dan ook beide als het resultaat van een memetische evolutie beschouwen. Culturele memen worden daarbij vaak vergeleken met mentale virussen, gericht op maximale verspreiding. De vraag is echter of datzelfde principe geldt voor wetenschappelijke memen. In de wetenschap ligt de nadruk, in navolging van Popper’s falsificatieprincipe en Ockham’s spaarzaamheidprincipe, om maar twee succesvolle mentale virussen te noemen, sterk op reductie en daarmee op selectie. Experimenten zijn dodelijk voor verreweg de meeste (wetenschappelijke) memen en daarmee zuiverend voor de wetenschap als geheel. Als we wetenschap met Popper opvatten als probleem oplossen m.b.v. trial & error, en probleem oplossen vervolgens zien als het bedenken van speculatieve gissingen via vrije associatie, vormt toetsing het selectiemiddel bij uitstek. Volgens Popper zit vooruitgang vooral in selectie door middel van het falsificatieprincipe en dat vraagt om weerlegbaarheid, transparantie en vooral toegankelijk maken van kennis voor derden via publicatie. Dit principe wekt de illusie dat in de wetenschap Darwin’s algoritme niet blind, maar intelligent wordt toegepast. Het is echter maar de vraag of dit zo is. Om dit te onderzoeken, doorlopen we het algoritme hier systematisch voor wetenschap of kennisverwerving. 

Variatie

Wetenschappelijke variatie lijkt in tegenstelling tot biologische variatie gericht. Lijkt, want het is maar de vraag of dat zo is, zowel wat betreft de gerichtheid van wetenschap als de ongerichtheid van de biologie. Wat wetenschap kenmerkt, is de intentie tot het oplossen van problemen. Wetenschappelijke mutaties worden ‘ontworpen’ en kennen in die zin, in tegenstelling tot biologische mutaties die at random optreden, een bedoeling. Althans dat is het algemeen aanvaarde idee. Daar valt echter wel wat aan af te dingen. Zo impliceert at random zowel in de biologie als in de wetenschap dat men nooit van te voren weet of iets succesvol zal zijn. In die zin vindt retrospectieve vertekening plaats. Het lijkt alsof in de wetenschap successen het gevolg zijn van planning en doordacht handelen. In werkelijkheid is veel vaker sprake van toeval of het daaraan verwante begrip serendipiteit. Bovendien vergt probleem oplossen op fundamenteel wetenschappelijk niveau ‘gedachtesprongen’. Deze sprongen onderscheiden zich van gedachtestappen doordat ze doorgaans niet direct voortkomen uit logisch denken (Bohr: You’re not thinking, you’re just being logical). Sterker nog, als men eenmaal in een gedachtespoor zit, is het vrijwel onmogelijk om er uit te komen (zie Heath: Made to stick). Gedachtesprongen vragen om een fundamentele andere manier van denken; zie De Bono’s lateraal denken. Men kan daarbij denken aan het overschakelen van verbaal en logisch/mathematisch denken naar beeldtaal of associatief denken, maar wellicht ligt hieraan een geheel ander mechanisme ten grondslag. Het gaat daarbij niet om het moment van anders denken, maar om de nieuwe manier van denken daarna, zoals bijv.  neurofysiologie Jill Bolte-Taylor meemaakte toen ze zelf een CVA kreeg (zie TED.com). Het is de gedachte’sprong’, dat moment van ‘logisch niet-logisch denken’, waar het omgaat. Ook hier zijn slechts metaforen beschikbaar:  jazzmuzikanten benoemen de kern van musiceren als ‘swing’ (It ain’t mean a thing...) en omschrijven dit als ‘precies op tijd te laat komen’.  Dit springerige karakter van gedachten maakt dat er veel meer at random plaatsvindt in de wetenschap dan uit het lineaire model van kenniscumulatie (b)lijkt. Een geplande paradigmashift is een contradictio in terminis. Tot slot is het van belang te beseffen dat variatie weliswaar in de biologie zelf blind is, maar alleen kan voortbouwen op eerdere adaptaties. In die zin is het algoritme op zich niet absoluut blind; er is immers zowel in biologische als wetenschappelijke zin sprake van een ‘historisch beperkt repertoire’. 

Figuur:

(random) variatie >  feedback/selectie > fitness > feedback over door het systeem veroorzaakte veranderingen in het milieu > replicatie > feedback etc.

Voor ‘planning’ is omschakeling nodig van feedback naar feedforward dwz uit het voorafgaande voortvloeiende emergenties van hogere lagen van bijsturing die zich aanvankelijk onbewust, later misschien half of zelfs werkelijk bewust, ontwikkelen tot een stuursysteem voor een evolutieproces.  Vraag is of dat kan, of dat dit een illusionair artefact is, net zoals wanneer je naar evolutionaire computerbeestjes kijkt en die een ‘wil/motivatie/keuzevrijheid’ toeschrijft; zie  http://www.archive.org/details/sims_evolved_virtual_creatures_1994. 

 

Selectie

Ook van selectie kan men zeggen dat dit proces in biologische zin blind en doelloos is, terwijl de selectie van theorieën intentioneel en doelgericht lijkt. Of dat laatste echt het geval is, is de vraag want dat veronderstelt dat ‘iets of iemand’ bewust het ene kiest en het andere verwerpt. Er is echter geen iets of iemand die men kan aanmerken als ‘de wetenschappelijke beslisser’. Ook wetenschappelijke vooruitgang, en daaraan voorafgaand keuzes om iets wel of niet toe te laten, wordt pas achteraf uitgeroepen. Deze ogenschijnlijke progressie is dus in werkelijkheid een zaak van achteraf optredende correctiemechanismen. Ook hier is het vooral retrospectieve vertekening die de ordening , op grond van het emergerende resultaat waarbij men bovendien aan het chaotische ordeningsproces een soort van zin toeschrijft, aanbrengt. Net als in de biologie bestaat verreweg het meeste wetenschappelijke werk prospectief gezien uit falen en dwalen en zou men dit dus blind kunnen noemen. Het feit dat er niet zoiets bestaat als een algemeen aanvaard en universeel doel van wetenschap maakt het immers onmogelijk om selectief te selecteren. 

 

Replicatie

Van de trias lijkt wetenschappelijke replicatie het minst een zaak van blind toeval. Wederom ‘lijkt’ want wetenschappers kiezen immers hun theoretische uitgangspunten, hun manier van data verzamelen etc. en bepalen daarmee welke theorieën zich mogen ‘voortplanten’. Helaas, ook hier is de wens vooral de vader van de gedachte. In werkelijkheid blijkt sprake te zijn van een turbulente vorm van terugkoppeling. Op de eerste plaats vindt terugkoppeling plaats in termen van het succesvol verklaren van de huidige situatie. Dit mechanisme doet de ‘beste’ theorieën bovendrijven en repliceren binnen bestaande en dus niet binnen de kaders van morgen. Op de tweede plaats vindt feedback plaats doordat onderzoekers niet zozeer de beste als wel de meest ‘populaire’ of voor hen handigste theorieën laten overleven en repliceren. Als met al leidt dit tot een achteraf begrijpelijk, maar prospectief onvoorspelbaar proces. 

Emergentie

Of een eigenschap die de eerste selectieprocessen heeft overleefd, doorgaans door middel van relatief simpele terugkoppeling, ook op langere termijn zal blijven bestaan, hangt af van het vermogen om ook een volgende, complexere, situatie de baas te kunnen. Hoewel hier in evolutionaire termen sprake is van een eenvoudig voortschrijden van de tijd, is vanuit intentionaliteit gezien sprake van een wezenlijke kwalitatieve verandering. Feedback dient over te gaan in feedforward! In termen van toenemende complexiteit dient uit het eerste niveau een tweede toekomstgerichte kwaliteit te emergeren en dat vraagt per definitie om ‘meekoppeling’. Dit vereist aanzienlijk meer dan louter een-op-een replicatie. Pas als het nieuwe systeem veranderingen, inclusief kleine random foutjes, in de kopie kan benutten of repareren, is er een kans op succes (replicatie).  Daartoe moeten nieuwe, nog niet aanwezige eigenschappen ontstaan of emergeren. Gezien de oneindige en onoverzichtelijke nieuwe situatie is het de vraag of hierbij überhaupt sprake kan zijn van bewuste planning. 

 

8. Conclusies

Het is weinig zinvol om hetzij aan evolutie, hetzij aan epistemologie het primaat toe te wijzen om als fundament te fungeren voor de wetenschap als geheel. Vanuit ontwikkelingsperspectief en binnen de cognitieve nis van de mens vallen beide begrippen samen. Evolutie is kennisontwikkeling. Daaruit kan men concluderen dat wetenschap een evolutionair karakter kent en dat, vorm volgt functie, het ‘wat & hoe van de wetenschap’ aan de evolutieleer ontleend dient te worden. Aangezien evolutie blind is, is het dan ook de vraag in hoeverre het zinvol is om wetenschap te plannen. Ook is het de vraag of het zinvol is om te investeren in vergaande clustering van onderzoekscapaciteit. Computersimulaties gebaseerd op evolutionaire wetmatigheden laten zien dat de inzet van vele, relatief domme robots ten goede kunnen komen aan de kans op ‘intelligente oplossingen’ terwijl de kwetsbaarheid van het geheel juist wordt verminderd. Ook rijst de vraag in hoeverre het zinvol is om een scheidslijn te trekken tussen toeval, pseudo- wetenschap, kunst en zogenaamde echte wetenschap. Pas achteraf wordt, en bovendien altijd voorzien van een houdbaarheidsdatum en naar heersende meningen van dat moment bepaald wat ‘echte’ wetenschap is geweest, net zoals dat bij kunst het geval is. De epistemologie geeft richtlijnen voor de wetenschap maar die kunnen ook gaan fungeren als keurslijf en daarmee de groei onnodig beperken. Wetenschappelijke bevindingen, al of niet gebaseerd op toeval, dwingen ons voortdurend de epistemologie te herzien. De diepere fundering is het terugkoppelingsmechanisme tussen beide, en daarmee de samenspraak tussen vertegenwoordigers van beide groepen. Hoewel de implicaties groter zijn, is qua principe het kiezen tussen rivaliserende methoden niet veel anders dan het kiezen tussen ideologieën dan theorieën en kan men allen alleen achteraf afrekenen op hun bijdrage. De vraag of een protocol, een bepaalde procedure, een bepaalde werkwijze, een bepaalde school of een bepaalde ideologie iets zinnigs oplevert, kan dus niet op voorhand worden beantwoord, maar zal in samenspraak met onderzoekers in een betreffend gebied voor een bepaalde tijdsperiode moeten worden beantwoord en is afhankelijk van de intenties waarmee, de belangstelling voor, de atitude en de context waarin men werkt. Daarmee doet het individuele via de achterdeur dus toch weer gewoon haar intrede. 

Art is I, Science is We; Art is Science? 

h.

Lit.ref (volgt)

- Buskes C (2007) Evolutionair denken 

- Latour B (1988) Science in action

- Lorentz

-