2.2.1.1.2.1 Verschillen

Hoofdzaak

Evolutionair psychologisch model voor de indexering van individuele verschillen in relatie tot de Big 5 

Jan Guus Waldorp* & Harry van de Wiel*

*Rijksuniversiteit van Groningen

Whenever two people meet, there are really six people present. There is each man as he sees himself, each man as the other person sees him, and each man as he really is.

William James, 1842-1910

Abstract

Evolutiepsychologie, The new science of the mind,  is gericht op onderzoek naar het functioneel ontwerp van psychologische en cognitieve processen van het brein in relatie tot gedrag op basis van de evolutionaire ontwikkeling van de mens (Gangestad, 2000). Hiertoe zijn sinds enkele decennia vele theorieën ontwikkeld en is veel empirisch onderzoek gedaan naar soort-specifieke eigenschappen. Omdat seksuele selectie de drijvende kracht is achter de evolutie, heeft een toenemend aantal evolutiepsychologen de aandacht verlegd naar onderzoek van individueel gedrag (Buss, 2011). Momenteel ontbreekt echter (nog steeds) een theoretisch model voor de indeling van individuele eigenschappen (Figueredo et al., 2005; Nettle, 2011). In  dit artikel willen wij onze hypothese voor een theoretisch evolutionair psychologisch model van individuele verschillen presenteren en de overeenkomsten tonen met de Big 5.

Gebaseerd op literatuuronderzoek willen wij in ons betoog onze visie en een door ons hypothetisch model ontwikkeld model beargumenteren waarom individuele eigenschappen belangrijk zijn, hoe deze eigenschappen zich manifesteren en hoe potentiele partners in de huidige samenleving deze eigenschappen in dit model kunnen herkennen en vaststellen of ze betrouwbaar zijn. Vervolgens geven wij aan hoe de interactie tussen genen en omgevingsfactoren al vanaf de conceptie een redelijk stabiel motievatieprofiel oplevert dat zorgt voor een sociale strategie van het individu. Daarna postuleren wij hoe en waarom deze eigenschappen in onze visie leiden tot een geïndexeerdevolutionair model met een beknopte omschrijving van de motivatieprofielen van afzonderlijk vrouwen en mannen. 

Daarna tonen wij het door ons ontwikkelde evolutionaire model voor individuele eigenschappen op basis van ons theoretische kader. Wij laten zien dat de door de Big Five benoemde individuele eigenschappen in essentie signalen zijn van de sociale strategie, gebaseerd op individuele motivatieprofielen. Door het gevalideerde model van de Big Five met ons model te vergelijken en de overeenkomsten vast te stellen, willen wij aantonen dat ons model eveneens de facto kan worden gevalideerd. 

Het modulaire brein

Het menselijke brein is, voor zover bekend, het meest complexe orgaan op aarde. Het heeft tot taak informatie te verzamelen en te gebruiken om gedrag te genereren en fysiologische processen te reguleren. Vanuit dit perspectief bekeken werkt het brein als een (fysieke) computer, ontworpen door evolutionaire processen die voortbouwen op soort-specifieke, causaal functionerende onderdelen die de overleving en reproductie bevorderen (Cosmides & Tooby, 2013). De vraag is welke programma’s het menselijke brein bezit om dat doel te bereiken.

Op basis van onder andere neurologisch onderzoek (Gallistel, 2000) is vastgesteld dat de mens beschikt over een brein bestaande uit een groot aantal discrete unitsofwel modules (Gazzaniga, 1989). Deze modules zijn ieder afzonderlijk gespecialiseerd om specifieke, complexe problemen op te lossen. Daartoe beschikken ze over kennisrijke representaties, concepten, bevindingen, conclusies en regulerende variabelen (Cosmides & Tooby, 2013). Alle units hebben een specifieke taak die voor een belangrijk deel gerelateerd zijn aan de ultrasociale instelling van de mens. De behoefte aan sociaal contact en intermenselijke uitwisseling is zo groot dat E.O. Wilson de mens zelfs ooit vergeleek met de eusocialiteit van termieten en bijen (1975). De oorzaak voor deze ultrasocialiteit en de modulaire opbouw van het menselijke brein moet worden gezocht in de intense sociale interactie van onze voorouders die in het Pleistoceen als jagers-verzamelaars gedurende miljoenen jaren op de Afrikaanse savannes nauw samenleefden (Aiello & Dunbar, 1993). Tijdens hun permanente camping trip leefden zij van de hand in de tand en waren qua voeding en veiligheid volledig op elkaar aangewezen (Barkow et al., 1992). De mens beschikt namelijk niet of nauwelijks over natuurlijke verdedigingsmiddelen, zodat zijn kracht ligt in het overleven in groepsverband. 

Dit evolutionaire verleden heeft een onuitwisbaar stempel op het gedrag van de mens en zijn brein gedrukt. Maar de kracht van het groepsleven tegen externe bedreigingen, trok een zware wissel op het intermenselijke aanpassingsvermogen. Het is psychologisch een veeleisende opgave om dag en nacht op te trekken met een groot aantal anderen. Niet alleen de volatiele ecologische omstandigheden en de dagelijkse onzekerheid van het bestaan van destijds waren groot. Want hoewel veel groepsleden door familierelaties onderling waren verbonden, vereiste het dagelijkse bestaan een hoge mate van sociale acrobatie om met iedereen op goede voet te blijven. Alle volwassenen gingen immers op zoek naar een partner om een gezin te starten, probeerden anderen over te halen om samen te werken om hun eigen doel te verwezenlijken of streefden naar een positie binnen de groep. Dat dit tot spanningen, conflicten en een sociale wapenwedloop leidt, is onvermijdelijk. De mens werd daardoor een meester in het vinden van oplossingen om toch sociaal met elkaar te kunnen omgaan door spanningen te dempen zodat geweld zo veel mogelijk werd vermeden. Het oplossen van spanningen en potentieel conflictueuze situaties maakt dat de mens als enige soort een (bijna) monogaam partnership kan aangaan, op unieke wijze kan samenleven en samenwerken en tolereren dat mensen met een specifiek talent leiding aan de groep kunnen geven en het voortouw nemen in besluitvorming.

Eén van de gevolgen van het complexe sociale bestaan van de mens heeft geleid tot het grootste brein van alle soorten in verhouding met zijn lichaam (Dunbar, 1998; Miller, 2000). Het brein van de mens is dan ook extreem kostbaar in ontwikkeling en in onderhoud: ongeveer 50% van al onze genen gaat naar de bouw van het brein en verbruikt dagelijks ca. 20 tot 25% van onze totale energie en 40% van onze zuurstof. Daarbij moet bedacht worden dat de functionaliteit van het menselijke brein primair is ontworpen om de kansen om te overleven en te reproduceren groot zijn. 

De ervaringen van onze voorouders hebben zich na duizenden generaties vertaald in specifieke psychologische eigenschappen van de mens. Het brein ontwikkelde adaptieve, functionele oplossingen voor telkens terugkerende problemen die zijn vastgelegd in modulaire ‘standaard oplossingen’ (Barkow et al., 1992). Volgens evolutiepsychologie beschikt het menselijke brein over vele honderden, wellicht duizenden van deze modules. Dit zijn gespecialiseerde (domein-specifiek), inhoud-afhankelijke, probleemoplossende onderdelen van het brein. Deze modules zijn overigens niet noodzakelijk op één plek gelokaliseerd. Dankzij deze modules lost ons brein, meestal zonder dat we er ons van bewust zijn, telkens terugkerende problemen op. Alleen als we voor nieuwe problemen komen te staan waar ons brein geen ‘standaard oplossing’ voor heeft, worden verschillende modules onderling door domein-onafhankelijke verbindingen gekoppeld. Hoe functioneler deze domein-onafhankelijke verbindingen zijn, des te ‘creatiever’ is het individu in het vinden van nieuwe oplossingen. En stijgen zijn kansen op het verspreiden van zijn genen.

Over de oorsprong en het belang van onze individuele verschillen

Mensen vertonen fysiek en mentaal grote verschillen. De vraag is waaromindividuele verschillen bij de mens zo belangrijk zijn. Dankzij Darwin (1871) werd duidelijk dat natuurlijke selectie niet functioneert zonder seksuele selectie: dit maakt seksuele selectie tot de motor van de evolutie. Het was hem opgevallen dat in de natuur mannetjes over specifieke secundaire seksuele kenmerken beschikken zoals een groot, indrukwekkend gewei, een bijzondere, kleurrijke staart of de opvallende zangkwaliteit van sommige vogels. Hoewel het Darwin dwars zat dat hij er in relatie tot het overleven van het individu het voordeel niet kon verklaren, ontwikkelde hij naast zijn theorie over natuurlijke selectie zijn structureel belangrijkere theorie over seksuele selectie. 

Ieder individu heeft het ultieme doel zijn genen door te geven aan volgende generaties. Succes bij dit proces wordt individuele ‘fitness’ genoemd. Fitness is een essentiële theorie in de ontwikkeling van de soort en heeft betrekking op ieder individu dat met succes nakomelingen nalaat die zelf lang genoeg in leven blijven om nageslacht te produceren. Overigens: behalve zelf aan de slag gaan om nakomelingen te verwekken, is het ook mogelijk te stimuleren dat de genen van familieleden (broers, zusters, neven en nichten die gedeeltelijk dezelfde genen hebben) worden voortgezet. Dit wordt ‘inclusieve fitness’ genoemd (Hamilton, 1964), eigenlijk een vorm van ‘outsourcing’

Hoewel traditionele persoonlijkheidspsychologie een groot aantal verklaringen gaf, bleef onduidelijk hoe en waarom mensen onderling van elkaar verschillen. Pas nadat evolutiebiologen zich rond het midden van de vorige eeuw met de zaak gingen bemoeien, kreeg het probleem meer perspectief. Om te beginnen moest de vraag worden beantwoord waarom er überhaupt twee seksen bestaan? Dat is namelijk niet vanzelfsprekend als het lijkt. Sterker nog: het is in wezen overbodig. Er zijn veel soorten waarbij het vrouwtje één kopie of meerdere kopieën van zichzelf maakt. Aseksuele voortplanting heeft een aantal voordelen. Deze parthenogenese soorten krijgen alleen dochters die op hun beurt alleen maar dochters krijgen. Efficiënter en sneller omdat ongeslachtelijke voorplanting geen last heeft van mannelijke nakomelingen die zich niet zelfstandig kunnen voortplanten en geen tijdverlies met het zoeken naar een goede kandidaat partner. 

Dus, met hoe veel plezier de mens misschien ook aan seks doet, het geeft het geen antwoord op de vraag waaromde mens zich seksueel voortplant. Totdat rond de jaren 70 van de vorige eeuw duidelijk werd dat soorten die zich volledig ongeslachtelijk voortplanten, sneller uitsterven (Lumley et al., 2015). Bij het zoeken naar een antwoord op de vraag hoe dat komt, werd een scala aan theoretische mogelijkheden opgeworpen (Ridley, 1993). De enige verklaring voor geslachtelijke voortplanting die hout sneed en in breed wordt geaccepteerd, was de volgende. Iedere soort treedt ongewild op als gastheer van parasieten. Bij ongeslachtelijke voortplanting maakt de moeder haar nageslacht uiterst kwetsbaar voor dezelfde soort parasieten (Dawkins & Krebs, 1979; Miller, 2000; Van Valen, 1973; Ridley, 1993). Geslachtelijke voortplanting ontstond naar schatting 1,2 miljard jaar geleden waardoor een voorsprong ontstond op parasieten die zich aan de nieuwe combinatie moesten aanpassen (Ridley, 1993; Van Valen, 1973). Zodoende ontstond een ‘wapenwedloop’ die gastheer en parasiet dwongen met nieuwe oplossingen te komen (Dawkins, 1982/1999, 1986). 

Helaas kent seksuele voorplanting voor de meeste soorten, maar vooral voor de mens, ook een aantal nadelen. Het is een lange en moeizame opgave de juiste partner te vinden. Het duurt zo’n 20 jaar voordat kinderen op eigen benen kunnen staan – iets dat bij geen enkele andere soort zo lang duurt. Dit vereist dat het ouderpaar een langdurige relatie aangaat. Bevruchting, zwangerschap en opvoeding zijn langdurige processen terwijl copulatie als zodanig meestal niet zonder slag of stoot verloopt. Ook de mens heeft, zoals Darwin had ontdekt, te maken met competitie van seksegenoten (intra seksuele competitie) en moet bovendien met succes de andere sekse het hof zien te maken (interseksuele competitie). Ondertussen moet de man bereid zijn familie te onderhouden en te beschermen. Dat betekent in principe dat beide ouders een vrijwel geheel of serieel monogaam bestaan leiden (Hooper & Miller, 2008). Juist deze handicaps hebben geleid tot een partnerselectie bij de mens die, in tegenstelling tot de meeste soorten waar het vrouwtje het partnerkeuze bepaalt, wederzijds is (mutual mate choice). Het zoeken en vinden van de juiste lange-termijn partner gebaseerd op individuele verschillen is bij de mens dan ook van essentieel belang voor het succes van zijn individuele fitness. 

Psychologische onderbouwing van individuele motivatie en keuzes 

Eén van de specifieke eigenschappen van het individu is dat zijn eigenschappen gedurende zijn leven redelijk stabiel blijven (Allport, 1937).Zoals iedere soort beschikt de mens over een groot aantal soort-specifieke, maar ook over individuele (persoons-eigen) kenmerken (Gosling, 2001). Zo is het grote brein van de mens één van de meest specifieke soort-specifieke eigenschappen terwijl de omvang en complexiteit een uitgebreid scala aan individuele kenmerken mogelijk maakt. Het belang van het brein voor de mens blijkt al uit het feit dat 40 tot 50 procent van de genen zijn betrokken bij de ontwikkeling. Daarbij speelt bij de mens ‘motivatie’, als het informatieverwerkende proces van het brein met inclusieve fitness als het ultieme doel, een grote rol. Individuele verschillen worden bepaald door de motivatie van het individu. Dit betekent dat er een antwoord moet worden gegeven op de vraag waaromhet individu specifieke keuzes maakt die anders zijn dan die van anderen. 

Keuzes worden in het heden gemaakt, maar zijn voor de mens met zijn lange termijngeheugen (gedeeltelijk cognitief) toekomstgericht (Klein, Robertson & Delton, 2010). Daartoe maakt het gebruik van het episodisch en het semantisch geheugen en een cognitief min of meer nauwkeurig omschreven doel en situatie in de toekomst (Klein, Cosmides, Tooby & Chance, 2002; Suddendorf & Corballis, 1997). Het brein heeft daartoe een keuzesysteem dat alternatieven afweegt in relatie tot de gevolgen voor de fitness van het individu (Cosmides & Tooby, 2013; Delton & Robertson, 2015). Het menselijke geheugen bestaat uit meerdere systemen zodat, als er een besluit moet worden genomen, besluitvormingsregels en zoeksystemen samenwerken. Zodra er informatie uit het semantisch geheugen wordt opgehaald dat afwijkt van informatie uit het episodisch geheugen, wordt het semantisch geheugen (meestal) bijgewerkt.

Voor de meeste, zo niet alle, domeinen bestaat echter geen algemeen criterium als er keuzes moeten worden gemaakt. Wat te doen als er (tegelijk) een keuze moet worden gemaakt tussen een bepaald soort voedsel, de selectie van een partner, een altruïstische daad of een dreigend gevaar (Cosmides & Tooby, 2013)? Soms is het welzijn van de ander belangrijker dan dat van het individu zelf, zoals bij voorbeeld het belang van een familielid of een altruïstische daad (Buss, 1991). 

Individuen functioneren niet willekeurig, maar beschikken over een groot aantal soort-specifieke genetische (‘aangeboren’) eigenschappen die pas tot expressie komen door interactie met de omgeving (programmed learning): genen zijn ‘ontworpen’ om zich te ontwikkelen in een specifieke omgeving (Perry, 2002). Zo wordt ieder mens geboren met een ‘taal instinct’, een biologische aanleg om moeiteloos en onbewust de grammatica van een taal te leren, zoals spinnen worden geboren met een instinct om een web te weven (Pinker, 1994). Echter, hoe iemand een taal gebruikt (woordkeus, zinsbouw enz.) is individueel en afhankelijk van de omgevingsfactoren tijdens de ontwikkeling van het kind. Voor een succesvolle ‘rijping’ van de neurale verbindingen in het brein, moet de interactie tussen de genen en de omgeving van het individu in de meeste gevallen in de eerste ca. 6 jaar na de geboorte plaats vinden. Genen zijn evolutionair zodanig ontworpen dat ze informatie van een specifieke  omgeving ‘verwachten’ (Tooby & Cosmides, 1992, 2005); als de genen deze signalen niet ontvangen, gaat het mis met de ontwikkeling van het kind. Zoals bij voorbeeld bij zogenoemde ‘wilde’ kinderen die geïsoleerd opgroeiden. In 1957 werd een meisje dat Genie werd genoemd in Los Angeles gevonden, in Midinipor werden in 1920 Kamala en Amala ontdekt die door wolven waren grootgebracht (McNeill, Polloway & Smith, 1984; Zingg, 1940). ‘Wilde’ kinderen die na hun 6delevensjaar werden ontdekt, kwamen niet veel verder dan een rudimentaire vorm van taal. 

Het is evident dat, hoewel de mens als soort zowel qua uiterlijk als gedrag over een groot aantal universele soort- en gedragskenmerken beschikt, ieder individu ook onderling verschilt (Buss, 1989; Shackelford, Schmitt & Buss, 2005). Dit individueel gedrag is gekoppeld aan de motivatie van het individu. Deze individuele motivatie, die zich uit in waarneembaar gedrag, wordt echter gepercipieerd als signaalgedrag: het individu geeft (onbewust) signalen om zijn toekomstige intenties aan te geven. Motivatie is een coherent, redelijk onveranderlijk individueel gebonden gedragspatroon met een specifiek keuzegedrag. Daarbij moet bedacht worden dat, bezien vanuit de evolutiepsychologie, ieder individu na de pubertijd inclusieve fitness als ultieme doelstelling heeft. Daartoe behoren in ieder geval drie verschillende adaptieve mechanismen die onafhankelijk van elkaar opereren en reageren op verschillende soorten input (Buss, 1991; Penke, 2009). De adaptaties zijn herkenbaar aan het soort probleem waarmee de mens in het verleden regelmatig werd geconfronteerd, het complexe ontwerp en de oplossing die wordt gedeeld met alle soortgenoten (Sugiyama, 2005). Om qua fitness succes te hebben moet het individu daarom aan de drie adaptieve mechanismen kunnen voldoen: het vermogen langdurige relaties aan te gaan, het vermogen goed kunnen samenwerken in groepsverband en het vermogen voor het verwerven van een hiërarchische positie in de intraseksuele competitie (Buss, 1991). Omdat de drie mechanismen primair gerelateerd zijn aan inclusieve fitness, willen wij ze omschrijven als fundamentele domeinen.

De oorsprong van het specifieke ‘motievatieprofiel’ en de daaraan gekoppelde sociale strategie van het individu moet dan ook worden gezocht in het ontwikkelingsprocesvan de foetus tot ca. het 6deof 7delevensjaar. Zowel tijdens de zwangerschap (Kelly, Day & Stressguth, 2000; Schaal, Marlier & Soussignan, 2000) als na de geboorte vindt een intensieve informatie uitwisseling plaats tussen de genen en de omgeving – er bestaat dus niet zoiets als een blauwdruk voor de bouw voor het lichaam of het brein (Dawkins, 2009; Ridley, 2003). Tijdens dit proces ontwikkelt het individu (onbewust) een strategie die het beste past bij zijn of haar fysieke (Hawley et al., 2007) en mentale eigenschappen waardoor één van de drie fundamentele domeinen centraal komt te staan. De oorsprong van de strategie ontstaat dus door genetisch erfelijke factoren gecombineerd met de interactie met de sociale omgeving (Baron-Cohen, 2005; Caspi & Roberts, 2001). 

In de eerste jaren van de ontwikkeling van het kind zijn de ouders vooral affectief belangrijk (Belsky, Steinberg & Draper, 1991; Baron-Cohen, 2005; Ellis et al., 1999; Ridley, 2003). Daarnaast zijn oudere en jongere broertjes en zusjes van belang (Sulloway, 1995, 2007). Omdat het kind zijn thuis en zijn activiteiten van de huiselijke omgeving als anders ervaart, heeft zijn peer groepechter de meeste invloed op zijn ontwikkeling als adolescent en volwassene, een proces dat groep socialisatiewordt genoemd (Harris, 2006, 2011). Kinderen conformeren zich enerzijds aan het gedrag van hun seksgenoten binnen hun peer groep door de reductievan verschillend gedrag, maar concurreren binnen de groep ook door hun poging zich te onderscheiden op basis van hun fysieke en mentale eigenschappen. Tijdens dit proces ontwikkelen zich volgens Harris (2011) drie fundamentele motivaties (zie Buss, 1991): het relatie systeem, het socialisatie systeemen het status systeem

Tijdens het ontwikkelingsproces van de jongere vanaf de conceptie wordt de positie van het individu op het r-K continuüm vanlife history theorybepaald door onbewust een afweging te maken van de nodige investering in relatie tot de verwachte opbrengst. De daarbij ontwikkelde eigenschappen worden meer benadrukt naarmate het individu ouder wordt (Briley & Tucker-Dob, 2014; Roberts & DelVecchio, 2000). Life history heeft diepe wortels in de evolutionaire geschiedenis van de mens (Rushton, 1990). Van de extreme uiteindes van het r-K continuüm is reen onzekere, instabiele (sociale, ecologische) omgeving terwijl K een gelijkmatige, stabiele omgeving inhoudt. Dat betekent dat iedereen (onbewust) van jongs af aan een toekomstscenario ontwikkelt uitgaande van een stabiele of instabiele sociale of ecologische omgeving. In die omgeving probeert hij met dit ‘startkapitaal’ aan fitness zijn ultieme doelstelling te realiseren. 

Onder de hiervoor genoemde interacties ontwikkelt het individu zich waarbij één van de drie fundamenteledomeinenof systemenzich (onbewust voor het individu) als meest dominant zal ontwikkelen en permanent manifesteren. Het dominante domein vormtdaarmee het specifiekemotievatieprofieldat de sturende kracht is achter elke keuze van het individu om zijn ultieme doel te bereiken. Deze sturende kracht hebben wij de sociale strategiegenoemd. Dit houdt in dat gedrag weliswaar context-specifiek is, maar de keuzes van het individu altijd worden bepaald door zijn sociale strategie. In het kader van ons onderzoek stellen wij dat dit de basis is van de motivatie van ieder individu. Deze motivatie speelt de centrale rol in alle aspecten van het gedrag en de keuzes van ieder individu, inclusief de aandacht voor specifieke signalen uit de omgeving (Cosmides & Tooby, 2013). Ook tijdens de levenscyclus sturen genen aan de hand van de ervaringen van het individu gedrag aan door andere genen aan of uit te schakelen (Ridley, 2003)

Sociale uitwisseling, wederkerig altruïsme en reputatie

Sociale uitwisseling of social exchange (Cosmides, 1985; Cosmides & Tooby, 1989; Tooby & Cosmides, 1992) is het domein waar de intermenselijke verhoudingen tot uitdrukking komen. Dit omdat in dit domein de sociale contacten tussen niet-familieleden plaatsvinden waar individuele behoeften, belangen, contacten, intenties en wensen zich manifesteren en waarbij de deelnemers verwachten er qua fitness baat bij te hebben. Hierbij is de sociale strategie van belang in wie, waarom en in welke mate iemand bereid is tijd, moeite, aandacht en energie, advies, geld of goederen in elkaar te investeren. Het is het terrein van de samenwerking tussen individuen waar altruïsme op basis van reciprociteit, dat wil zeggen betrouwbaarheid en reputatie tussen niet-familieleden (Trivers, 1971) relevant zijn.

Hoewel het sociale karakter van de mens sterk tot uitdrukking komt binnen familierelaties, zijn het ook niet-familieleden waarmee intensieve contacten worden aangegaan zoals een (nieuwe, potentiele) partner, vrienden, kennissen en relaties in de werksfeer zoals collega’s of zakenpartners. Dit onder voorwaarde dat de investering aan de benefactor wordt ‘terugbetaald’ door de ontvanger zodat beide – of alle - betrokkenen daar voordeel bij hebben. In sociale uitwisseling moet de ‘investeerder’ er op kunnen vertrouwen dat degene die de actie initieert, ongeveer dezelfde hoeveelheid terugkrijgt die hij heeft geïnvesteerd. Soms is de begunstigde niet in staat tot wederkerigheid (reciprociteit) door ziekte of onvermogen buiten zijn schuld om. Maar laat hij opzettelijk na zijn benefactor terug te betalen, wordt hij beschouwd als onbetrouwbaar. Het brein heeft daarvoor een speciaal neurologisch algoritme ontwikkeld (Cosmides, & Tooby, 2005; Cosmides, Barrett & Tooby, 2010), niet alleen om snel mogelijkheden tot samenwerking te ontdekken, maar ook een subroutine om snel te ontdekken of iemand betrouwbaar is, het zogenoemde cheater detection system

Sociale uitwisseling en het betrouwbaarheidsalgoritme zijn slechts twee van de vele, gespecialiseerde modules die zich gedurende de evolutionaire geschiedenis van de mens hebben ontwikkeld. Omdat onze verre voorouders voortdurend met nieuwe sociale en ecologische problemen werden geconfronteerd, groeide het aantal de modules zodat er honderden of misschien wel duizenden van deze modules in het brein aanwezig zijn. Dit wordt ook wel het modulaire breingenoemd (Barkow, Tooby & Cosmides, 1992; Cosmides, 1985; Cosmides & Tooby, 1989; Marr, 1982) dat bij de meeste mensen het sociale, cognitieve vermogen biedt het gevoelsleven van anderen in te schatten. Dit vermogen, de theory of mind(ToM) genoemd, heeft bij de mens een hoge graad van perfectie bereikt (Gallese & Goldman, 1998; Premack & Woodruff, 1978). Juist in het domein van sociale uitwisseling en ToM komt de individuele motivatie al rond het 4delevensjaar tot uitdrukking (Wimmer & Perner, 1983). Dat betreft overigens ook het eventuele gebrek van sommigen om zich te kunnen verplaatsen in het gevoelsleven van anderen, het zogenoemde Asperger syndroomof autisme(Baron-Cohen, 2005; Frith & Happé, 1994). Bepalend voor samenwerking met anderen is de sociale reputatie (Swakman et al., 2016; Zahavi, 2003). Een geloofwaardige en aantoonbare reputatie bouwen mensen op door hun gedrag op basis van wederkerig altruïsme(Trivers, 1971). Weliswaar bepaalt het vermogen te kunnen communiceren met anderen de reputatie van het individu binnen het sociale netwerk, maar sommigen zijn – bewust of onbewust (Trivers, 2009) – uiterst vaardig in het verhullen van de werkelijkheid of het manipuleren van anderen (Brewer & Abell, 2015; Dunbar, 1998; Krebs & Dawkins, 1984; Premack & Woodruff, 1978). Maar uiteindelijk wordt iedereen beoordeeld op wat hun dadenen niet op hun beloftes.  Niet voor niets is het adagium “Promises are the cheapest of gifts.”

De evolutionair regelmatig terugkerende sociale en ecologische problemen vormen de basis van de soort-specifieke kenmerken en sekseverschillen. Ook gedrag ontwikkelde zich in de vorm van adaptaties; universele, aangeboren eigenschappen die een duidelijk ‘bewijs van gespecialiseerd ontwerp’ vertonen (Hamilton, geciteerd in Tooby & Cosmides, 1996). Een van deze ‘gespecialiseerde’ ontwerpen is het unieke menselijke vermogen tot samenwerking. De mens heeft van nature vertrouwen in zijn medemens en is bereid tot samenwerking (Axelrod & Hamilton, 1981; Tomasello, 2012). Evolutie liet samenwerking hand in hand gaan met de ontwikkeling van moraliteit: samenwerking vereist dat het eigenbelang wordt onderdrukt en gespiegeld aan het gedrag van de ander (Tomasello & Vaish, 2013). Moreel gedrag is al meetbaar na de eerste 6 maanden van de geboorte (Bloom, 2012) maar ontwikkelt zich daarna snel door de aangeboren eigenschap van programmed learning (Pinker, 1997). Daarmee is het aantrekkelijk voor lange-termijnrelaties, zowel met partners (Miller, 2000, 2007) als vrienden (Tooby & Cosmides, 1996). Helaas, degene die zegt hetzelfde doel na te streven, blijkt soms onbetrouwbaar. Hij pikt je vriendin in, laat je vallen als je gezamenlijke doel is bereikt of gooit je uit de groep als hij de baas is. Wie kun je vertrouwen? Waar en hoe vind je een toekomstige partner? Wie probeert je dwars te zitten? Al deze fundamentele, menselijke problemen dateren uit miljoenen jaren evolutionaire geschiedenis en bepalen nog steeds (onbewust) de manier waarop mensen hun leven zin en vorm proberen te geven. 

De mens is er vanuit zijn evolutionaire geschiedenis op gebrand te weten met wie hij te maken heeft: vreemden vormden voor jagers-verzamelaars immers een potentiële bedreiging. Maar op basis waarvan beoordeel je iemand die je voor het eerst ontmoet? Immers: “Similarity is the shadow of difference” (Nabokov, 1962, in Pale Fire).  Het is soms moeilijk te beslissen waarop moet worden gelet: zijn het juist de overeenkomsten, de verschillen of beide? Mensen delen als soort talloze kenmerken, maar de ervaring leert dat uiterlijk en gedrag ook in belangrijke mate van elkaar kunnen verschillen. Dat is misschien een triviale observatie, maar kan in het dagelijkse leven een wereld van verschil maken. Dus, als we iemand voor het eerst ontmoeten, zal het brein direct registreren of er mogelijk gevaar dreigt of dat zich een kans voordoet voor het verwerven van een partner of van materiële zaken (Schaller, 2009; Schaller, Park & Kenrick, 2007). Het brein maakt dan ook meteen een afweging aan de hand van overeenkomsten en verschillen – een toets waarbij we onszelf en ons sociale netwerk als norm hanteren op basis van ‘fast and frugal heuristics’ (Gigerenzer, 1991; Gigerenzer & Hug, 1992) en ‘disgust’ (Faulkner et al., 2004; Schaller, 2009; Tybur et al., 2011). Afgezien van het meest pregnante verschil (is het een man of een vrouw?), wordt gelet op onder andere uiterlijke kenmerken (huidskleur, lengte, lichaamshouding), culturele aspecten (kleding en accessoires) en dankzij theory of mind mentale vaardigheden (intelligentie, taal, gevoel voor humor, gezichtsuitdrukkingen). Dit wordt opgeslagen in een gespecialiseerd onderdeel van het geheugen (Klein, Cosmides, Tooby & Chance, 2002) waardoor mensen, het uiterlijk, de geschiedenis en specifieke gedragskenmerken van iemand wel tot 50 jaar later kunnen herinneren (Bahrick, Bahrick & Wittlinger, 1975). Belangrijk is of zo iemand al dan niet potentieel tot het sociale netwerk van het individu kan behoren. Omdat ieder individu acteert binnen de context van  zijn eigen sociale netwerk, is het van belang hierin inzicht te hebben. Een netwerk telt gemiddeld, naast een intieme ‘clique’ van ca. 5 vrienden, ongeveer 15 goede bekenden, 50 relaties en respectievelijk 150, 500 of tot 1500 ‘contacten’ met afnemende emotionele binding en contactfrequentie (Hill & Dunbar, 2003; Stiller & Dunbar, 2007). Als iemand buiten deze ‘ingroep’ valt, is er geen belangstelling voor die persoon; zij of hij wordt niet opgemerkt of onthouden (Cosmides en Tooby, 2013; Ostrom & Sedikides, 1992).

Waardering van betrouwbaarheid in groeiende sociale samenlevingen 

Wat zijn de voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor de keuzes die het individu maakt? Voor de afwegingen die het brein maakt beschikt de mens over adaptieve mechanismen en zijn sociale strategie voor de waardering en betrouwbaarheid van informatie over anderen en situaties. Afwegingen beginnen bij de specifieke waarneming van een aantal signalen: waar letten mensen’, behalve gestuurd door hun sociale strategie, het eerst op en waarom? Attentie wordt gestuurd door adaptaties, zoals de aandacht voor mensen en dieren die een risicofactor kunnen vormen (Cosmides & Tooby, 2013). 

Als ultrasociale soort zoekt de mens primair naar specifieke patronen in gezichten en eigenschappen; tegelijk wordt de omgeving goed in de gaten gehouden, volgt hij de kijkrichting van anderen maar let nauwelijks op voorwerpen of gebouwen (Cosmides & Tooby, 2013). Dit alles om eventuele gevaren te voorkomen. Daarbij spelen ook sekseverschillen mee: vrouwen letten weer op andere dingen dan mannen en waarderen ze ook anders. Bovendien heeft ieder mens een aantal specifieke eigenschappen zoals vooroordelen die gerelateerd zijn aan zijn sociale strategie. De adaptaties en sociale strategie sturen met name de sociale aandacht: waar liggen kansen en bedreigingen voor onze fitness? Deze afwegingen worden per afzonderlijke oorzaak door een specifieke index beoordeeld die, per module, via een algoritme de waarde en het belang (in relatie tot andere factoren) bepaalt. Omdat resultaten van de weging vaak conflicteren, wordt het definitieve besluit genomen door de desbetreffende emotie (Cosmides & Tooby, 2013).

Voor het kunnen waarderen (valuation) en afwegen (welfare trade-offs) van de betrouwbaarheid van anderen in relatie tot de eigen fitness, beschikt de mens over een complex adaptief systeem dat de sociale uitwisseling reguleert. Daartoe ontvangt het brein interne en externe signalen en verwerkt deze via een domein-specifieke index. Voor iedere index afzonderlijk (Cosmides & Tooby, 2013; Lieberman et al., 2007), die continu wordt bijgewerkt, verwerkt het systeem de signalen die betrekking hebben op het specifieke probleem dat moet worden opgelost. Door een afweging te maken van de signalen komt een waardering tot stand waardoor het gedrag wordt gereguleerd (Cosmides & Tooby, 2013; Delton & Robertson, 2015). Deze weging is een adaptatie, niet alleen via het vermogen ons (onbewust) te verplaatsen in de gevoelens van anderen (wensen, behoeften en intenties) van anderen (Theory of Mind), maar ook op basis van herinneringen, ervaringen en toekomstscenario’s. 

Voor nieuwe contacten beschikt de mens over een heuristisch snel en efficiënt systeem dat een afweging maakt (Haselton & Buss, 2000; Haselton & Nettle, 2006; Todd & Gigerenzer, 2000) waarbij risico’s worden vermeden (error management theory) omdat in het evolutionaire verleden van de mens een snel besluit geboden was. Daarbij telt mee of, aan de hand van informatie van anderen, al een beeld is opgebouwd op basis van haar of zijn reputatie zoals moreel (on)betrouwbaar  of niet (Sperber & Baumard, 2004). Dat neemt niet weg dat de mens anderen en situaties ook te optimistisch kan beoordelen (Haselton & Nettle, 2006). Informatie over anderen wordt opgeslagen in een bepaalde categorie van het geheugen (Klein et al. 2009). Bepaalde factoren zijn van belang bij de beoordeling van gedrag. De mens kan zich vele duizenden personen tientallen jaren herinneren (Bahrick, Bahrick & Wittlinger, 1975). Om de risico’s zo klein mogelijk te houden, speelt de adaptieve afkeerreactie (disgust) een belangrijke rol bij het beoordelen van het morele gedrag van zowel de direct betrokkene als de mening van het sociale netwerk (Tybur et al., 2013).

Tot zo’n 70.000 jaar geleden wordt het aantal Homo sapiens sapiensgeschat op enkele tienduizenden (Hrdy, 2009). Hoewel nog niet (geheel) duidelijk is hoe de relatief snelle toename van de menselijke soort is ontstaan, is de hypothese van een aantal wetenschappers dat de oorzaak moet worden gezocht in de band tussen man en vrouw (pairbonding) en de daarmee samenhangende rituelen en de contacten tussen de stammen van de vrouw en de man (Hill et al., 2014). Out of Africa 2, ca. 70.000 jaar geleden en het sedentaire, boeren bestaan dat zo’n 11.000 jaar geleden inzette, maakte het stapelen van voeding en het vergaren van bezittingen mogelijk. Dit heeft de groei van de wereldbevolking vanaf ruim 5.000 jaar geleden – het moment van de eerste stadstaten - op bijna 7 miljard gebracht. 

In deze, nu nog westerse, moderne en complexe samenleving met de vele, vaak vluchtige en oppervlakkige contacten en (de noodzaak tot) haastige besluitvorming, speelt voor ieder individu nadrukkelijk de complexiteit van het waarderen van andere individuen.  Deze situatie neemt snel toe nu ruim de helft van de wereldbevolking, 3,6 miljard (UN, 2012) in miljoenensteden woont. Dit gegeven wordt gemarkeerd door de toenemende omvang en ‘ondoorzichtigheid’ van motieven en mogelijke betrouwbaarheid van nieuwe sociale contacten. Hierdoor wordt het steeds moeilijker anderen op hun ‘waarde’ (mentale indicatoren van fitness) in te schatten. Bronnen voor informatie over (onbekende) anderen zijn het sociale netwerk (Dunbar, 1996) maar in de huidige samenleving in toenemende mate de sociale en gedrukte media (De Backer & Gurven, 2006). Daarom is de waardering en de reputatie van anderen in onze huidige samenleving in toenemende mate aangewezen op wat het individu eventueel via het eigen sociale netwerk of de media over haar of hem hoopt te weten te kunnen komen. 

In dit sociale informatiemoeras voorzien tabloids en roddelbladen tot op zekere hoogte. Het roddelcircuit is evolutionair van grote waarde voor de veiligheid en fitness van het individu – op die manier kan hij vooraf informatie krijgen en vergelijken met bekenden. Maar ook van onbekenden die hij graag zou willen of gaat ontmoeten. Bekende personen worden vaak (onbewust) gezien als stand-ins voor familie en vrienden (De Backer & Fisher, 2012). Kranten en tijdschriften bieden de mogelijkheid vrienden en kennissen of een nieuw contact te vergelijken met meer of minder bekende mensen voor een eerste risico inschatting. Op deze informatie bouwen mensen ook een mening over de reputatie van mensen die ze nooit hebben ontmoet en (vermoedelijk) nooit zullen ontmoeten zoals sporthelden, acteurs, politici en talloze andere min of meer bekende persoonlijkheden (De Backer et al., 2007). Deze kennis wordt echter (ook) gebruikt voor verhoging van de reputatie binnen het sociale netwerk. 

Adaptieve oplossingen, sociale strategieën en morele waardes 

Het individu, gestuurd door zijn sociale strategie, probeert (onbewust ) een verband te leggen tussen de fysieke eigenschappen, signaalgedrag, de wensen en de intenties (the intentional stance, Dennett, 1987/1998) van de ander met behulp van het inlevingsvermogen (ToM) van het individu. Dit proces van positieve en negatieve feedback vindt plaats in de sociale uitwisseling tussen twee of meer individuen. Omdat de mentale factor bij de mens zo’n grote rol speelt, zullen beide partijen pogen geloofwaardig hun waardes te ‘adverteren’ (Miller, 2000, 2005, 2007) waarbij wederzijds een afweging wordt gemaakt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de informatie. De inhoud van hetgeen wordt ‘geadverteerd’ is afhankelijk van de sociale strategie van de ‘adverteerder’. Terwijl het ene individu zijn of haar ‘waardes’ adverteert met behulp van materiële zaken, zal de ander belang hechten en afwegingen maken op basis van gecommuniceerde intelligentie en creatief vermogen, prestige en morele waardes. Omdat erfelijkheid de belangrijke component van het motievatieprofiel is, zullen in principe degenen met een overeenkomstig profiel het snelst partners worden, ook wel birds of a feathergenoemd (McPherson, Smith-Lovin & Cook, 2001). Dit verklaart waarom assortative mating en assortative pairing, in tegensteling totopposites attract,een succesformule blijkt bij het kiezen van een partner of vriend. 

 

Hierbij speelt voor mannen weliswaar – opnieuw gekoppeld aan de sociale strategie – de fysieke kwaliteiten (leeftijd, gezondheid, schoonheid) van vrouwen een belangrijker rol bij partnerkeuze dan bij vrouwen. Voor vrouwen zijn de fysieke aspecten van mannen minder van belang dan zijn status binnen het sociale netwerk (Buss & Smitt, 1993). Bovendien zijn leeftijd en schoonheid en andere uiterlijke kenmerken vergankelijk en wispelturig en eerder van belang voor korte-termijn dan lange-termijn relaties (Buss, …; Miller, 2005). Romantische liefde en man-vrouw relaties en social bonding(Dunbar & Schultz, 2007) met het doel een gezin te stichten (Fisher, 2007) daarentegen zijn voor de langere termijn en gerelateerd aan moral virtues(Miller, 2007) dan wel materiële factoren. Morele waardes omvatten onder andere loyaliteit ten opzichte van partners en vrienden, de kwaliteit waarop met anderen sociaal wordt omgegaan, integriteit, vriendelijkheid, omgang met kinderen, vrijgevigheid, eerlijkheid, moed en vele andere deugden (Miller, 2007). Daarbij speelt de persoonlijke motivatie, de sociale strategie van degene die deze deugden beoordeelt, een belangrijke rol bij de waardering ervan terwijl deze morele waardes anders worden gewaardeerd door vrouwen dan door mannen. Dit betekent onder andere dat, wat de één amoreel gedrag vindt, bij de ander een kan rekenen op waardering. Daarin speelt de mening van anderen leden van het sociale netwerk (eveneens) een grote rol. Overigens kan een individu proberen zijn (ultieme) doel te bereiken door manipulatie, de Machiavellian hypothesis(Abell et al., 2016; Byrne & Whiten, 1988; Krebs & Dawkins, 1984). 

 

 

 

Mentale capaciteiten, waardering van signalen, mentale indicatoren van fitness en handicaps

In het domein van de sociale uitwisseling bepaalt de sociale strategie van het individu (onbewust) waarom, wat en wanneer hij de mentale indicatoren van zijn fitness ‘adverteert’. Terwijl de één (onbewust) zijn fysieke kwaliteiten of zijn materiele bezittingen adverteert, zal de ander onbewust zijn coöperatieve intenties of zijn belangstelling voor de medemens en creativiteit tonen. Daaruit, zo is de theorie, kan de ander de mentale capaciteiten van de ‘adverteerder’ afleiden. 

 

Het handicap principe (Grafen, 1990; Zahavi 1975; Zahavi & Zahavi, 1997) leert dat de zender uitsluitend een signaal kan versturen waarvan hij zich de investering kan permitteren (Zahavi, 2003). Dat impliceert in hoeverre deze signalen betrouwbaar zijn. Status en prestige zijn adaptaties van mannen (Darwin, 1871; Miller, 2000) in het kader van intraseksuele competitie. Hoewel de betekenis van de termen ‘status’ en ‘prestige’ niet of onvoldoende zijn gedefinieerd (Henrich & Gil-White, 2000), is duidelijk dat veel mannen, zij het met wisselend succes, veel moeite, tijd en energie investeren in materiële zaken (bv. hypotheken, auto’s en andere bezittingen), het verwerven van status en reputatie (bv. leidende functies, politiek) of de nadruk leggen op hun innovatieve en creatieve vaardigheden (bv. in literatuur, de kunsten) om hun mentale indicatoren van fitness te tonen. Vrouwen zullen eerder tijd, moeite en energie investeren om hun fysieke aantrekkelijkheid te verhogen door gebruik te maken van cosmetische hulpmiddelen (Etcoff, et al., 2011; Dawkins, 1989). Hierbij speelt een aantal belangrijke problemen een rol: a) in hoeverre zijn de signalen betrouwbaar (Zahavi, 1975; Zahavi & Zahavi, 1997; Zahavi, 2003; Dawkins & Krebs, Krebs & Dawkins), b) de signalen zijn voor een belangrijk deel gericht op beïnvloeding met betrekking tot intraseksuele competitie, vooral bij mannen (Hawkes & Bliege, 2002) maar ook bij vrouwen (Buunk & Fisher, 2009; Campbell, 2004; Buss & Dedden, 1990; Dawkins & Krebs, 1978; Krebs & Dawkins, 1984) en hofmakerij en c) vooral door het gebruik van sociale media en snel fluctuerende sociale contacten van de steeds toenemende sociale systemen wordt het ‘waarderen’ van anderen steeds complexer. 

 

Specifiek voor de moderne samenleving ten opzichte van de situatie van onze verre voorouders is dat het niet langer altijd duidelijk is hoe ver het begrip ‘betrouwbaar’ in het handicap principe reikt. Met de sedentaire leefgewoonte werden bezittingen belangrijk. Behalve wat jagers-verzamelaars nodig hadden om te jaren en te verzamelen, hadden zij geen voordelen bij bezittingen. Tegenwoordig kunnen mannen en vrouwen om hun reputatie en status te tonen (grote) bedragen lenen voor het opzetten van een onderneming, het kopen van een auto of huis en inventaris, dure (merk) kleding en accessoires, cosmetische producten of plastische chirurgie. Deze bezittingen werken als een extended phenotype, een ‘verlengstuk’ van het phenotype (Dawkins, 1982; 2004; Dawkins & Krebs, 1979; Etcoff et al., 2011; Jablonka, 2004; Laland, 2004; Schaedelin & Taborsky, 2004). Weliswaar dragen deze bij tot de niet-verbale communicatie (Buss, 2011) maar een (on)juiste inschatting veroorzaakt een ‘wapenwedloop’ zowel bij de zender als de ontvanger (Buss, 2011). Bij het beoordelen van signalen wordt de interne ijking van de fitness component voor de ontvanger bepaald door de sociale strategie van zowel de zender als de ontvanger. 

 

Verschillende problemen (bv. voedsel, partner selectie, samenwerkingsverbanden) zijn echter onvergelijkbaar en  kunnen onmogelijk binnen één domein-specifiek systeem worden opgelost. Ieder domein beschikt daarom over een afzonderlijk systeem van regulerende variabelen en afwegingen van welzijn (welfare trade-offs) voor het individu (Delton & Robertson, 2015). Omdat er continu conflicterende belangen tussen de verschillende motivaties bestaan, zorgt emotie er voor dat de regulerende variabelen worden geijkt op basis van de beste uitkomst voor de fitness van het individu (Cosmides & Tooby, 2013). Omdat emotie een directe relatie heeft met de sociale strategie van het individu, zal dit mechanisme de sociale strategie volgen van zowel zender als ontvanger. Dit betekent onder andere dat de sociale strategie van de ontvanger andere signalen opvangt dan de zender heeft bedoeld. Op die manier zorgt de sociale strategie voor (veel) misverstand. Een goed voorbeeld hiervan is error management waarbij mannen een signaal van een vrouw fout interpreteren (Haselton & Buss, 2000), de zelf-representatie (denk hierbij aan narcisten) en de sociale reputatie, hoewel deze niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met het werkelijke gedrag van het individu (Anderson & Shirako, 2008). 

 

Hierbij moet bedacht worden dat signalen zoals Zahavi stelt (2003) een investering tegenover een verwachte opbrengst zijn. Zoals alle investeringen zijn deze toekomst gericht. Signalen vormen daarmee een toekomstgerichte actie die gelinkt is aan de sociale strategie van de zender. Dit betekent ons inziens dat een signaal, waarmee een individu zich adverteert, niet per definitie gezien kan worden als een karaktertrek zoals het five factor model stelt, maar eerder als een strategische ‘vertaling’ van het motievatieprofiel van de zender in de vorm van de sociale strategie van het individu gericht op het beïnvloeden – of ten minste een poging tot beïnvloeding van het gedrag van de ontvanger(s). Daarbij is het van belang of het signaal (makkelijk) kan worden begrepen, herkend of herinnerd (Guilford & Stamp-Dawkins, 1991). 

 

Dit brengt ons (terug) bij het waarderen van signalen en ze beoordelen op hun betrouwbaarheid en merites die samenhangt met de sociale strategie van het individu. De mens evolueerde in kleine groepen waarbij continu vis-á-vis contact bestond. Het individu moest zich zien te handhaven in zijn sociale omgeving. Communicatie, al dan niet dankzij een (proto) taal, en daden bepaalden de sociale status van het individu. Veel onderzoekers (Abell et al., 2015; Brewer, Abell & Lyons, 2016; Byrne & Whiten, 1979, 1989; Gravilets & Vose, 2006; Hawley, 2006; Johnson & Hogan, 2006) stellen dat Machiavelliaanse deceptie (“Er moet van worden uitgegaan dat de