Attitude van de therapeut

 

(voor illustraties, zie tijdelijk tab VETO)

Een psychotherapeutische attitude is volgens Oser (1994):“een aangeleerde, globale evaluatie van een individu die betrekking kan hebben op een object (persoon, plaats of onderwerp) die invloed heeft op gedachten, acties en gedrag”. Voor de attitude van de psychotherapeut zijn vier basisbegrippen belangrijk.

Ten eerste de authentieke betrokkenheid. Hierbij staat de cliënt centraal. In elk tijdsgewricht van de ontwikkeling van de psychotherapie staat de cliënt centraal. De therapeut is er voor de cliënt. Ten tweede moet de therapeut echtheid zowel naar binnen als naar buiten tonen. Hiernaast moet de therapeut zich menselijk betrokken tonen. Belangrijk hierbij is de limited reparenting (Young, 2008) . Limited reparenting wil zeggen dat de therapeut gemiste emotionele ervaringen aan de cliënt biedt, binnen de grenzen van de professionaliteit en wat ethisch verantwoord is. Het menselijke proces tussen de therapeut en de cliënt is hierbij belangrijk. Ze is erbij wanneer de cliënt spreekwoordelijk struikelt maar beschermt haar cliënt echter niet om fouten te maken. De therapeut staat als het ware naast de cliënt .
Professionaliteit ten dienste van de cliënt is het tweede aspect van de therapeutische attitude. Er is een nadrukkelijke verantwoordelijkheid voor therapeuten die wordt beschreven in de wet BIG en de codes van de beroepsvereniging het NIP. De therapeutische neutraliteit maakt een belangrijk onderdeel uit van de professionaliteit. Dit begrip is voornamelijk bekend vanuit de psychodynamische theorie. Anna Freud formuleerde het begrip alsvolgt: “ De psychotherapeut moet eenzelfde afstand bewaren ten opzichte van zijn Es, Ich en Uberich en de eisen van de externe realiteit “(A. Freud, in Gabbard, 2005, p. 99). Abstinentie is een tweede begrip dat wordt genoemd. Onder abstinentie verstaan we dat de therapeutische en niet de sociale relatie centraal staat. Soms leidt dit begrip tot het misverstand dat de therapeut een koude en kille houding aanneemt. Erik Erikson (1953) ziet de therapeut echter als een mentor die zorg heeft voor zijn cliënt. Het is de taak van de therapeut zijn cliënt te betrekken bij het gezamenlijke werk. Ten slotte wordt bescheiden eigenheid genoemd als onderdeel van het professioneel handelen van de therapeut. De inrichting van de kamer, de kleding en inhoud van de boekenkast laten een stuk van de identiteit van de therapeut zien. Het is belangrijk na te denken welke onthulling in welke therapie of fase van de therapie zinvol is voor de cliënt.
Het onderscheid wat betreft vakmatige deskundigheid tussen de psychotherapeut en andere GGZ-beroepen bevindt zich voornamelijk op het terrein van het hanteren van de therapeutische relatie en het therapeutisch proces. De therapeut wordt geacht de nieuwe ontwikkelingen in het vakgebied bij te houden en zich te laten bijscholen.  
 

Als laatst aspect bij therapeutische attitude wordt de persoonlijke vorming genoemd. Attitude is iets persoonlijks. Van de therapeut wordt verwacht hard te werken aan zijn of haar eigen ontwikkeling. Belangrijk is dat de therapeut vanuit de eigen levensgeschiedenis begrijpt waarom hij of zij psychotherapeut wilde worden en zich bewust te worden van de invloed hiervan op de behandeling en het contact met de cliënt. Naast hard werken aan de eigen persoonlijke ontwikkeling en volledige inzet voor de cliënten is een goede zelfzorg belangrijk